Naar een nieuwe taal voor verandering
Eric van Loon
Michiel Wilhelm
Een zoektocht naar een nieuwe taal voor veranderingstr...
2
Nooit gaf Onno antwoord op belangstellende vragen naar zijn ontdekking, ´Lees dat
maar na,´ placht hij te zeggen, ´in de...
3
Mindmap van de opbouw van dit werkstuk
Over mindmapping
Een mindmap begint rechtsboven, op ongeveer ‘twee uur’, en verlo...
4
Inhoudsopgave
1 Inleiding..................................................................................................
5
7 Fase 3, workshops.............................................................................................73
7.1 F...
6
1 Inleiding
Metaforen vormen een intrigerend onderwerp. Het aanzienlijke aantal publicaties1
dat gedurende de afgelopen ...
7
2 Samenvatting
Zeventig procent van veranderingen in organisaties bereikt niet het gewenste
resultaat. Het mislukken van...
8
De onderzoekers komen tot de conclusie dat het gerechtvaardigd is te vermoeden
dat in een workshop een gezamenlijk metaf...
9
Bij het gebruik van een stappenplan maken wij enkele relativerende opmerkingen,
die voortkomen uit het gedachtegoed van ...
10
3 Introductie
3.1 Persoonlijke overwegingen
Eric van Loon
Traditionele Nyenrodiaanse afstudeeronderwerpen handelen over...
4 Doel van de studie, onderzoeksontwerp
4.1 Probleemanalyse
Veranderingen roepen vaak emoties en weerstand op, de intrinsi...
Doel van de studie, onderzoeksontwerp
12
In eerste instantie zagen wij als mogelijk onderwerp van ons onderzoek het benutt...
Doel van de studie, onderzoeksontwerp
13
4.3.3 Subvragen
De gerelateerde onderzoeksvragen die uit de onderzoeksvraag voort...
Doel van de studie, onderzoeksontwerp
14
Zoals gesteld is de missie van een ontwerpwetenschap het ontwikkelen van kennis
t...
Doel van de studie, onderzoeksontwerp
15
descriptieve modellen wordt beschreven hoe handelingen kunnen worden
waargenomen....
Doel van de studie, onderzoeksontwerp
16
4.5 Onderzoeksontwerp
Na keuze en toelichting van de te gebruiken onderzoeksmetho...
Doel van de studie, onderzoeksontwerp
17
concepten die wij opgedaan of ontwikkeld hebben in de betreffende fase en die
bij...
5 Fase 1, literatuuronderzoek
5.1 Formulering van de doelstellingen van de fase
Het is de bedoeling van deze fase van het ...
Fase 1, literatuuronderzoek
19
Richards (Richards, 1936) heeft in een model de werking van metaforen zichtbaar
gemaakt (fi...
Fase 1, literatuuronderzoek
20
Conceptuele Metafoortheorie (CMT), die geïntroduceerd werd door Lakoff en
Johnson (1980) en...
Fase 1, literatuuronderzoek
21
metaforen zijn dus geen dode restanten van oude stijlfiguren, maar levende ideeën
die - vaa...
Fase 1, literatuuronderzoek
22
functionele gebruik maken van metaforen. Dit vraagt om een nadere uitwerking van
begrip all...
Fase 1, literatuuronderzoek
23
De eerste twee sprekers hielden een inleiding over verkoop. Na al die jaren – het
was in 19...
Fase 1, literatuuronderzoek
24
Nu is het conceptuele systeem belangrijk bij het afbakenen van de ervaringen van
alledag. A...
Fase 1, literatuuronderzoek
25
5.2.3 Thema ‘metaforen’ (toepassingen van metaforen)
I have a deep conviction that allowing...
Fase 1, literatuuronderzoek
26
• Organisaties als geestelijke gevangenissen (psychic prisons), ziet organisaties
als psych...
Fase 1, literatuuronderzoek
27
waar het in het boek om draait. Hiermee doelt Parker op het creatieve proces van
het creëre...
Fase 1, literatuuronderzoek
28
Een speurtocht dus naar analogieën en verschillen tussen spelsimulatie enerzijds en
metafor...
Fase 1, literatuuronderzoek
29
• Spelsimulatie kan vanwege zijn spelelement gezien worden als ‘vrijmakend’ voor
haar beoef...
Fase 1, literatuuronderzoek
30
vorming van een model (bij spelsimulatie) en analoog daaraan de vorming van een
metaforisch...
Fase 1, literatuuronderzoek
31
problemen, moeilijk om te delen en om uit dat delen conclusies te trekken. Zij
merken zij o...
Fase 1, literatuuronderzoek
32
Een groot aantal mensen zijn net als de mossel, die maar een existentiële
levensvraag kent ...
Fase 1, literatuuronderzoek
33
verandering wordt gemanaged en beheerst en gecontroleerd. Voorbeelden hiervan
zijn programm...
Fase 1, literatuuronderzoek
34
Reflectie en benutten van kennis
Veranderen is een relevant vak voor managers, medewerkers ...
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis
of 111

Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis

Published on: Mar 3, 2016
Source: www.slideshare.net


Transcripts - Naar een nieuwe taal voor verandering nyenrode thesis

  • 1. Naar een nieuwe taal voor verandering Eric van Loon Michiel Wilhelm Een zoektocht naar een nieuwe taal voor veranderingstrajecten, waarbij mogelijkheden van het gebruik van beeldmetaforen wordt onderzocht aan de hand van literatuurstudie, expertinterviews en workshops. Verder een verkenning van een methodiek voor het ontwikkelen van een (verbeeldde en verwoordde) metafoor die de impliciete visies van afzonderlijke medewerkers van een organisatie op een toekomstige situatie in zich verenigt en expliciet maakt. Tevens, een handleiding voor een workshop die doeltreffend bijdraagt aan het uitvoeren van deze methodiek. Afstudeerthesis in het kader van het Parttime Doctoraal Programma Prof.dr. J.B.R. Gaspersz (Faculty Supervisor) Universiteit Nyenrode, Breukelen
  • 2. 2 Nooit gaf Onno antwoord op belangstellende vragen naar zijn ontdekking, ´Lees dat maar na,´ placht hij te zeggen, ´in de Journal of Near Eastern Studies. Ik maak geen overuren.´ Maar nu, op Max´ vraag hoe hij dat schrift ontcijferd had, legde hij geduldig uit dat er geen sprake was van ontcijferen, aangezien het sinds jaar en dag leesbaar was. Het bestond in grote trekken uit het griekse alfabet, maar het was geen grieks, het was onbegrijpelijk. Het was zoals wanneer iemand die geen grieks kende, het griekse alfabet leerde en dan zou proberen de Ilias te lezen. De etrusken waren een italisch volk, doceerde hij, dat in het huidige Toscane leefde: Tusci noemden de romeinse veroveraars hen. Het latijn zat vol etruskische leenwoorden, zoals persona voor ´masker´, maar verder was alleen van een paar woorden de betekenis bekend, zoals van die voor ´god´, ´vrouw´, ´zoon´. Het probleem was, dat een lange bilingue ontbrak, zoals Champollions Steen van Rosette, met eenzelfde tekst in het etruskisch en in een bekende taal. Zij hadden dus iets met de grieken te maken, en tegelijkertaal had hun taal niets te maken met het grieks. Zij schreven hun taal fonetisch met griekse letters, zoals gymnasiasten uit de eerste klas met hun naam deden, en zoals Nederlanders deden met latijnse letters. Het volk kwam omstreeks de negende eeuw voor Christus dus ergens vandaan, waar ook grieken waren. Maar – en dat was de beslissende inval – het was natuurlijk ook mogelijk, dat de grieken ooit hun alfabet van de etrusken hadden overgenomen, om daarmee fonetisch hun eigen taal te schrijven: het grieks dus. Harry Mulisch, De ontdekking van de hemel (1992) Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in de hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Exodus 20 vers 4
  • 3. 3 Mindmap van de opbouw van dit werkstuk Over mindmapping Een mindmap begint rechtsboven, op ongeveer ‘twee uur’, en verloopt van daar af met de klok mee. De mindmap techniek is een manier om informatie goed te verwerken, overzicht te houden en snel te leren. Mindmaps bevatten zowel analytische als beeldende informatie. De werking ervan stoelt op het principe van het goed laten samenwerken van de ‘analytische’ linker en de ‘creatieve’ rechter hersenhelft (Brandhof, 2004).
  • 4. 4 Inhoudsopgave 1 Inleiding................................................................................................................6 2 Samenvatting.......................................................................................................7 3 Introductie ..........................................................................................................10 3.1 Persoonlijke overwegingen..............................................................................10 4 Doel van de studie, onderzoeksontwerp ...........................................................11 4.1 Probleemanalyse.............................................................................................11 4.2 Het voortraject .................................................................................................11 4.3 Doelstelling van het onderzoek .......................................................................12 4.3.1 Onderzoeksdoelstelling .................................................................................12 4.3.2 Centrale onderzoeksvraag ............................................................................12 4.3.3 Subvragen .....................................................................................................13 4.4 Methodiek ........................................................................................................13 4.4.1 Paradigma .....................................................................................................13 4.4.2 Leren door professionals...............................................................................14 4.4.3 Beargumentering keuze ................................................................................15 4.5 Onderzoeksontwerp ........................................................................................16 4.5.1 Onderzoeksopzet ..........................................................................................16 5 Fase 1, literatuuronderzoek...............................................................................18 5.1 Formulering van de doelstellingen van de fase...............................................18 5.2 Literatuurstudie; thema’s, aanverwante onderwerpen....................................18 5.2.1 Thema ‘metaforen’.........................................................................................18 5.2.2 Thema ‘metaforen’ (over concepten en expressie).......................................23 5.2.3 Thema ‘metaforen’ (toepassingen van metaforen) .......................................25 5.2.4 Thema ‘metaforen’ (plaatsbepaling metaforenaanpak) ................................27 5.2.5 Thema ‘veranderingsprocessen’ (changemanagement) ..............................31 5.2.6 Thema ‘veranderingsprocessen’ (complicerende theorieën)........................34 5.2.7 Thema ‘beeld, beelddenken, verbeelding’ (werking van de hersenen) ........39 5.2.8 Thema ‘beeld, beelddenken, verbeelding’ ....................................................42 5.2.9 Thema ‘faciliteren’ .........................................................................................44 5.3 Evaluatie en conclusie van fase 1...................................................................47 5.3.1 De vier thema’s..............................................................................................47 5.3.2 Aanzet tot een gedachtegang .......................................................................49 5.3.3 Kan een ‘metaforenaanpak’ organisatieverandering ondersteunen?...........50 5.3.4 De ´parels´ van fase 1 ...................................................................................51 6 Fase 2, interviews met ervarings- en vakdeskundigen .....................................53 6.1 Formulering doelstelling van de fase...............................................................53 6.2 Expertgesprekken, de daadwerkelijke invulling ..............................................53 6.3 Interviews.........................................................................................................54 6.3.1 Interview Thijs Homan...................................................................................54 6.3.2 Interview Bert Wanschers .............................................................................56 6.3.3 Interview Peter Camp....................................................................................58 6.3.4 Interview Ashraf Ramzy.................................................................................60 6.3.5 Interview Jac Geurts......................................................................................62 6.3.6 Interview Maarten Versteegh en Herman van der Bij ...................................63 6.3.7 Interview Arie de Geus ..................................................................................65 6.4 Evaluatie en conclusie van fase 2...................................................................68 6.4.1 De vier thema’s..............................................................................................68 6.4.2 De ´parels´ van fase 2 ...................................................................................71
  • 5. 5 7 Fase 3, workshops.............................................................................................73 7.1 Formulering doelstellingen fase ......................................................................73 7.2 Workshop 1, Lokale Omroep Groesbeek........................................................73 7.2.1 Workshop 1, beschrijving situatie Lokale Omroep Groesbeek.....................73 7.2.2 Workshop 1, beschrijving verloop .................................................................74 7.2.3 Workshop 1, evaluatie en conclusie..............................................................78 7.3 Workshop 2, Publieke Omroep (bestuursorgaan), Hilversum ........................80 7.3.1 Workshop 2, beschrijving situatie Publieke Omroep (bestuursorgaan)........80 7.3.2 Workshop 2, beschrijving verloop .................................................................81 7.3.3 Workshop 2, evaluatie en conclusie..............................................................87 7.4 Evaluatie en conclusie van fase 3...................................................................89 7.4.1 De ´parels´ van fase 3 ...................................................................................91 8 Fase 4, kansen en inzichten van beleidsmetaforen..........................................92 9 Handleiding........................................................................................................96 9.1 Handleiding, niveaus .......................................................................................96 9.1.1 Handleiding, buitenste niveau .......................................................................97 9.1.2 Handleiding, middelste niveau ......................................................................98 9.1.3 Handleiding, binnenste niveau ......................................................................99 10 Conclusies en aanbevelingen..........................................................................100 10.1 Leertraject, de praktijk ...................................................................................100 10.2 Conclusies .....................................................................................................100 10.3 Subvragen .....................................................................................................100 10.3.1 Metaforen.....................................................................................................100 10.3.2 Metaforenaanpak en organisatieverandering .............................................102 10.3.3 Een nieuwe taal...........................................................................................103 10.3.4 Stappenplan.................................................................................................104 10.3.5 Faciliteren ....................................................................................................104 10.3.6 Bijzondere eigenschap van beelden ...........................................................105 10.4 Centrale onderzoeksvraag ............................................................................105 10.5 Onderzoeksdoelstelling .................................................................................106 10.6 Aanbevelingen...............................................................................................106 11 Literatuurlijst.....................................................................................................108
  • 6. 6 1 Inleiding Metaforen vormen een intrigerend onderwerp. Het aanzienlijke aantal publicaties1 dat gedurende de afgelopen decennia verscheen en dat metaforen als onderwerp heeft, geeft daar blijk van. Ook binnen het vakgebied van de bedrijfskunde hebben metaforen zich in een levendige aandacht mogen verheugen. In zekere zin zijn ook wij, de schrijvers van dit werkstuk, ten prooi gevallen aan de aantrekkingskracht van de metafoor. Vooral echter, hebben wij een uitdaging gevonden in het onderzoeken van een ‘metaforenaanpak’ als bedrijfskundig instrument. Dit werkstuk gaat daarom niet over metaforen sec. Het is een poging om meer te bieden in de vorm van een methodiek voor het toepassen van metaforen. Een aanwending van metaforen dus; een poging om een zinvolle bedrijfskundige toepassing van het gebruik van metaforen te beschrijven in de context van processen van organisatieverandering. Zachte materie met een harde toepassing. Wij wensen u veel leesplezier. Dankwoord Dit werkstuk is niet zomaar ontstaan. Op verschillende manieren hebben meerdere personen een bijdrage geleverd aan de totstandkoming ervan. Naar allen gaat onze dank uit. Enkelen willen wij hier met name noemen. In de eerste plaats bedanken wij Jeff Gaspersz voor zijn bereidheid ons tijdens dit afstudeeronderzoek te begeleiden, gesprekken met ons te voeren, ons goede raad te geven en daarvoor steeds de tijd te nemen. Het heeft ons van nuttige feedback voorzien en zeer geholpen bij onze zoektocht ‘naar een nieuwe taal’. Ook gaat onze dank gaat uit naar Arie de Geus die, hoewel drukbezet en vaak verkerend in het buitenland, kans zag ons op informele wijze te ontvangen. De overige experts die ons een interview toestonden en unieke kennis en ervaring met ons deelden zijn wij eveneens erkentelijk. Veel dank daarom aan Herman van der Bij, Peter Camp, Jac Geurts, Thijs Homan, Ashraf Ramzy, Maarten Versteegh en Bert Wanschers. Van groot belang zijn voor ons geweest onze familieleden, vriendinnen en vrienden. De belangstelling die zij toonden en de steun en warmte die zij ons gaven hebben ons gesterkt. Daarvoor, in het bijzonder aan Sabine, Vera en Kees, onze hartelijke dank. Eric van Loon Michiel Wilhelm Eindhoven / Arnhem, januari 2005 1 Een bibliografie van post-1970 publicaties over metaforen bevat 4193 vermeldingen (Van Noppen, 1985). Een volgende editie over de periode van 1985 tot 1990 somt er nog eens 3500 op (Van Noppen, 1990).
  • 7. 7 2 Samenvatting Zeventig procent van veranderingen in organisaties bereikt niet het gewenste resultaat. Het mislukken van veranderingsprocessen ligt vooral in de aanpak van de veranderingen en het handelen van de actoren. Veel organisaties proberen een verandering door te voeren die is gestoeld op beheersing, ordening en planmatig sturen. Dit werkt prima in situaties waarin de problemen goed definieerbaar en weinig complex zijn. Maar situaties waarin complexiteit een rol speelt, moet een verandering anders worden ingezet. Een nieuwe taal voor veranderen is dan op zijn plaats. De onderzoekers vermoeden dat een dergelijke nieuwe taal ontwikkeld kan worden door gebruik te maken van metaforen, verpakt in beelden. Metaforen die het elementaire emotionele niveau van mensen, dat zetelt in het limbisch systeem van de hersenen, aanspreekt. Waardoor er een emotionele vrijmaking ontstaat en mensen uit vastgeroeste denkbeelden losraken. Het gebruik van beelden raakt het visueel vermogen van de hersenen. Bij een goede sturing van dit proces (harde sturing op proces, zachte sturing op de inhoud) lukt het om medewerkers intrinsiek te motiveren en mee te krijgen in de verandering. Om tot die nieuwe taal te komen, hebben de onderzoekers een zoektocht ondernomen. Een zoektocht langs boeiende literatuur, interessante ontmoetingen en bijzondere experimenten. De vraag die tijdens deze zoektocht leidend was, de centrale onderzoeksvraag, is als volgt gedefinieerd. De tweeledige centrale onderzoeksvraag luidt als volgt. • Is het mogelijk dat het door de deelnemers in een workshop ontwikkelen van een gezamenlijk metaforisch beeld van een toekomstige situatie een taal(oefening) oplevert waarvan het vermoeden bestaat dat deze een veranderingsproces positief beïnvloed? • En is op basis van de gevonden inzichten een methodiek te ontwikkelen die gebruikt kan worden om een dergelijke beeldmetafoor te ontwikkelen? Het onderzoek is niet hypothesetoetsend maar hypotheseformulerend van aard. Gedurende het onderzoek wordt een leertraject afgelegd waarin een drietal leerfasen wordt doorlopen. Deze drie leerfasen zijn achtereenvolgens: het doen van literatuurstudie, het voeren van interviews met experts, en het faciliteren van enige (twee) workshops. Een vierde fase behelst de integratie en uitdieping van de inzichten van de drie voorafgaande leerfasen en is geschreven voor de beleidsmaker. In de eindfase worden de onderzoeksvragen beantwoord en worden aanbevelingen gedaan. tijd aanbevelingen onderzoek studie literatuur- interviews workshop kwaliteit,diepgang fase 1 conclusies, eindfasefase 2 fase 3 fase 4 integratie
  • 8. 8 De onderzoekers komen tot de conclusie dat het gerechtvaardigd is te vermoeden dat in een workshop een gezamenlijk metaforisch beeld van een toekomstige situatie te ontwikkelen is. Een dergelijke bijeenkomst kunnen wij zien als een gezamelijke taaloefening, waarin de deelnemers door gebruik te maken van beelden individuele mentale modellen over de gewenste situatie uitwisselen en er een gezamenlijk model ontstaat. Een nieuwe taal is geboren. Het resultaat is daarom te beschouwen als een nieuwe taal met een positieve, stimulerende uitwerking op het veranderingsproces. Veranderen door rekening te houden met de dynamiek van mensen en door te kijken vanuit verschillende paradigma’s resulteert in een organisatie die verandert door te leren. Vernieuwen en leren vallen dan samen in een proces van lerend vernieuwen. Het is geplande verandering voorbij. Jaap Boonstra vergelijkt dit met ‘lopen over water’ (Boonstra, 2000). Arie de Geus stelt dat een organisatie altijd leert. Met dien verstande dat sommige organisaties verkeerd leren en anderen goed. Organisaties die tot de laatste categorie behoren, zullen eerder in staat zijn complexe veranderingen door te maken en positief af te ronden. Het is mogelijk om een methodiek te ontwikkelen die gebruikt kan worden om een beeldmetafoor te ontwikkelen. Een uit drie abstractieniveaus bestaande handleiding maakt onderdeel uit van dit eindrapport. Bij toepassing van de methodiek is het zaak rekening te houden met het onvoorspelbare gedrag van mensen. Metaforen kunnen sommige dimensies versterken en andere verzwakken, en op die manier enthousiasmerend werken. Een metafoor is niet een instrument op zich, maar het resultaat van een lerend proces. Een metafoor werkt ´decontextuerend` en weerstandsverlagend. Metaforen bieden de mogelijkheid om met verschillende brillen naar de werkelijkheid te kijken. Een metaforenworkshop kan ondersteunend werken bij trajecten van organisatieverandering vanwege de aandacht die de aanpak biedt voor de irrationele en emotionele aspecten van dergelijke processen. Resultaat is dat deelnemers buiten gebaande paden, out-of-the-box gaan denken. De metaforenworkshop moet onderdeel uitmaken van een proces; een goede imbedding is nodig om echte impact te realiseren. Bij dit proces is een cruciale rol weggelegd voor de dialoog en besluitvorming. Taal en taaloefeningen zijn wezenlijk voor veranderingstrajecten. Alleen als de taalontwikkeling plaatsvindt in een proces, kan het bijdragen aan een veranderingstraject. Een gemeenschappelijk jargon ontstaat in het sociale groepsproces, door uitwisseling van individuele mentale modellen met behulp van beelden. Onder het faciliteren van een workshop wordt het opzetten, ondersteunen en inbedden van de bijeenkomst verstaan. Vanuit de literatuur en de praktijk zijn enkele regels en aanwijzingen te herleiden voor het faciliteren van workshops. Voor ‘effectieve groepen’ valt een negental belangrijke grondregels te beschrijven. Verder is op het vlak van faciliteren de praktijk een belangrijke leerschool. Een handleiding moet recht doen aan de verschillende aspecten van dat faciliteren van een metaforenworkshop. Dit valt te beschrijven in de vorm van drie abstractieniveaus, waarbij het buitenste niveau het meest abstract is en de andere twee niveaus omvat. Het binnenste niveau is het meest concreet maar gelegen binnen de andere twee niveaus.
  • 9. 9 Bij het gebruik van een stappenplan maken wij enkele relativerende opmerkingen, die voortkomen uit het gedachtegoed van de chaostheorie. Tracht nooit een exact kopie van een geslaagd project te maken. Minimale afwijkingen ten opzichte van de uitgaanssituatie (zeer aannemelijk in het geval van een workshop) zullen leiden tot onvoorspelbare afwijkingen in het eindresultaat. Verder, de toekomst kan onmogelijk vanuit het verleden voorspeld worden. Een dynamisch systeem creëert op ieder moment zichzelf. Wij kunnen dus wel een handleiding opstellen, maar deze moet ruimte bieden voor het onvoorspelbare gedrag van mensen. Doen wij dat niet, dan is de waarde van het stappenplan gering. Daarnaast merken wij op dat iemand die de weg wijst, de weg weet en zal dus de route uitleggen aan de hand van landmarks die voor hem bekend zijn. Maar een onbekende (her-)kent ook die landmarks niet en raakt de weg kwijt. Wij willen voorkomen een handleiding te presenteren die geschreven is in het jargon dat wij hebben ontwikkeld gedurende de afstudeerperiode, en daardoor onleesbaar wordt voor anderen. Tot slot, tijd speelt een constructieve rol in dynamische processen; tijd is een belangrijke ondersteunende factor bij nieuwe creatie. De geboorte van een nieuwe beleidsmetafoor heeft tijd nodig, wij moeten er daarom ook de tijd voor nemen. De zoektocht naar een nieuwe taal voor veranderen was een boeiende. Wij hopen dat de lezer van dit rapport de weerslag van onze zoektocht met genoegen tot zich zal nemen. Wij nodigen de lezer van harte uit om in onze voetstappen te treden en onze tocht te volgen.
  • 10. 10 3 Introductie 3.1 Persoonlijke overwegingen Eric van Loon Traditionele Nyenrodiaanse afstudeeronderwerpen handelen over bedrijfsstrategie of financiële onderwerpen. Toen het voor mij tijd was geworden om een keuze te maken voor een afstudeeropdracht, was ik verheugd een andere bedrijfskundige richting te kunnen exploreren. Innovatie, creativiteit, complexiteit, lerende systemen, veranderende organisaties, dynamische kennismodellen, het waren die kennisgebieden die mijn aandacht trokken. Na een verkenning langs de verschillende velden en na gesprekken met een aantal hoogleraren viel de keuze op het innovatieve vakgebied. Een niet alledaagse richting, en dat hebben wij tijdens onze zoektocht wel geweten. In het begin hebben wij lang nagedacht over wat het exacte onderwerp van onze studie zou moeten zijn. Maar toen wij eenmaal een goede richting hadden gevonden, opende zich een weidse wereld vol met metaforen, verdiepende inzichten, boeiende boeken en bovenal interessante ontmoetingen. Vooral aan dat aspect heb ik veel plezier beleefd. En me telkens weer verwonderd over de rijkheid aan personen die ons land herbergt. Mensen met verhalen, kennis en inzicht over een materie die mij diep raakt. Michiel Wilhelm Na het tweeëneenhalf jaar lang bestuderen van een veelheid aan conventionele bedrijfskundevakken was het mijn wens om het afstuderen een ander dan een klassiek accent te geven. Mijn voorkeur ging dus uit naar een weinig traditioneel en, natuurlijk, aansprekend onderzoeksonderwerp. ‘Chaos en complexiteit’, ‘strategie’ en ‘innovatie en creativiteit’ waren de vakgebieden die in aanmerking kwamen het afstudeeronderwerp te leveren. Uiteindelijk is de keus, gebaseerd op goed gevoel, enthousiasme, en in samenspraak met Eric gevallen op het laatste vakgebied. Ik ben erg geboeid door het creatieve, frisse, onconventionele van de metaforenaanpak. Mijn voornemen bij de keuze van dit onderwerp is het exploreren van de mogelijkheden van een dergelijke aanpak. Verdere persoonlijke beweegredenen waren en zijn het hebben van een ‘goede’ en intensieve tijd, en bovenal het opdoen van een uitnemende leerervaring. Ook het vooruitzicht van het organiseren en begeleiden van een of meerdere workshops heeft mij vanaf het begin aangesproken. Ik heb bewust nagestreefd het afstuderen in een tweemanschap te doen. Ik beleef het als plezierig en leerzaam.
  • 11. 4 Doel van de studie, onderzoeksontwerp 4.1 Probleemanalyse Veranderingen roepen vaak emoties en weerstand op, de intrinsieke motivatie tot verandering ontbreekt veelvuldig, communicatie is niet eenduidig, de veranderaar en de organisatie spreken niet dezelfde taal, sterker nog, de leden van de organisatie spreken niet dezelfde taal. Geschreven taal is vaak langdradige, vervelende, saaie taal. Het behoeft een lange avond van louter zitten en lezen om een veel pagina’s tellend document door te werken. Daarbij sluit geschreven taal emotie voor een belangrijk deel uit. Geschreven taal is immers de taal van ratio en structuur. Een (enkel) taalkundige aanpak is niet altijd plezierig en bovenal niet altijd productief. Er lijkt ‘ruimte’ te zijn voor nieuwe, alternatieve instrumenten in de bedrijfskunde, aanpakken het bedrijfseconomische, Porteriaanse denken voorbij. Men gaat steeds vrijer denken. Tools als gaming en spelsimulatie zijn aan de orde en genieten een groter wordende populariteit. Management van creativiteit en innovatie staat steeds veelvuldiger op de agenda van managers in zowel profit als non-profit sector. De tijdgeest is er een van ontvankelijkheid voor nieuwe initiatieven. De zelf- geformuleerde vraag waarmee wij onze zoektocht in gaan is daarmee de volgende. Zoekvraag Kijkend naar het bedrijfsleven is onze intuïtieve inschatting dat er ‘ruimte’ is voor een alternatieve aanpak. Een aanpak die gericht is op organisatieverandering en daarbij complementair aan de gangbare ‘rationele’ aanpakken van veranderingstrajecten. Wij beschouwen het als een uitdaging een dergelijke alternatieve aanpak te beschrijven en te exploreren. 4.2 Het voortraject Achteraf gezien hebben wij tijdens het voortraject, dat wil zeggen voorafgaand aan de definitieve keuze van de onderzoeksdoelstelling, een aantal stadia doorlopen. Allereerst was er de algemene keuze voor het vakgebied en van het onderwerp van het onderzoek. Onze aandacht is al vlug getrokken door het onderwerp ‘metaforen’. Ook leek er op het vlak van het gebruik van metaforen een mogelijkheid te zijn voor een zinvolle en nog niet uitvoerig ontgonnen bedrijfskundige toepassing. Welke deze toepassing precies zou kunnen zijn hadden wij overigens nog niet zo helder voor ogen. Een alternatieve, in de verte wat van spelsimulatie weghebbende, tool leek een mogelijkheid. Hoewel wij niet een vastomlijnd onderzoeksonderwerp voor ogen hadden, was onze belangstelling gewekt. De metaforenstof was aansprekend en het perspectief om deze te gebruiken voor de ontwikkeling van een ‘managementtool’ maakte het geheel ronduit aantrekkelijk. Dit markeert eigenlijk de eind van de eerste fase. Een eerste fase met als uitkomst de thema’s ‘metaforen’ en ‘managementtool’, maar met nog niet een concreet beeld van wat daar nu mee te doen. Vervolgens is er een periode geweest waarin wij daadwerkelijk trachtten te komen tot een keuze van onderzoeksdoelstelling en centrale onderzoeksvraag. In die tijd zijn wij veelvuldig bij elkaar geweest, hebben wij talloze onderzoeksdoelstellingen en -vragen opgesteld (en weer verworpen), en hebben wij gewoonweg veel over de onderzoeksmaterie en aanverwante zaken gepraat. Wij waren beducht voor wat wij zijn gaan noemen de ‘dunheid’ van de metaforenmaterie. Wij wilden een onderzoeksonderwerp dat voldoende substantieel was. En wij hebben lang gezocht naar een doelstelling die naar onze mening ook echt voldoende substantie bezat. In die tijd hebben wij ook al een eerste interview afgenomen, dit met het doel om helderheid te krijgen over de formulering van de onderzoeksdoelstelling.
  • 12. Doel van de studie, onderzoeksontwerp 12 In eerste instantie zagen wij als mogelijk onderwerp van ons onderzoek het benutten van metaforen als een innovatieve manier om een complex bestuurlijke dilemma te verhelderen en op te lossen. Casus zou zijn de Publieke Omroep en doel van het onderzoek een metafoor voor de omroeporganisatie, maar met een omroep overstijgend belang. Gezien het politieke krachtenspel waarin de Publieke Omroep acteert leek het ons echter niet mogelijk een voor alle partijen aanvaardbare gemeenschappelijke metafoor te ontwikkelen. Uiteindelijk hebben wij onszelf voor de keuze moeten stellen van het ofwel doorgaan, ofwel stoppen met het metaforenonderwerp. Op dat moment is het idee geboren van het opstellen van een handleiding voor een metaforenaanpak ter ondersteuning van een veranderingsproces. Daarmee konden wij aan ‘de metaforen’ een concreet aspect toevoegen. Dat leek het geheel voldoende substantieel te maken. Wij zagen er beiden voldoende mogelijkheden in, en hebben besloten om ermee door te gaan. Resumerend kan gesteld worden dat het voortraject erg belangrijk geweest is. Wij hebben uitvoerig nagedacht over de keuze van een onderzoeksdoelstelling. En wij hebben er vervolgens zoveel mogelijk bewust voor gekozen. Ook is in dit voortraject de basis gelegd voor een gedachtegang over metaforengebruik die in dit werkstuk verder wordt geëxploreerd. Daarbij is ook de term ‘metaforenaanpak' tot stand gekomen, deze zal in dit werkstuk nog veelvuldig terugkomen. Daarom hierbij de definitie ervan. Metaforenaanpak Het in een workshop door de deelnemers ontwikkelen van een gezamenlijk metaforisch beeld van een toekomstige (gewenste) situatie. 4.3 Doelstelling van het onderzoek 4.3.1 Onderzoeksdoelstelling Het doel van deze thesis is: - het verkrijgen van kennis en inzicht ten aanzien van de werking van beeldmetaforen als nieuwe taal ter ondersteuning van een veranderingstraject; - het verkrijgen van kennis en inzicht ten aanzien van een methodiek voor het ontwikkelen van een (verbeeldde en verwoordde) beeldmetafoor die de impliciete visies van afzonderlijke medewerkers van een organisatie op een toekomstige situatie in zich verenigt en expliciet maakt. Opmerkingen hierbij zijn: - gekozen is voor de beeldmetafoor omdat het visuele karakter van dit type metafoor het verbeeldende vermogen van mensen aanspreekt, en omdat het een praktisch handvat biedt voor toepassing in een workshop; - concreet resultaat van het onderzoek zal tevens zijn een handleiding voor het leiden van een workshop waarin een beeldmetafoor wordt ontwikkeld. 4.3.2 Centrale onderzoeksvraag De centrale onderzoeksvraag luidt als volgt. Is het mogelijk dat het door de deelnemers in een workshop ontwikkelen van een gezamenlijk metaforisch beeld van een toekomstige situatie een taal(oefening) oplevert waarvan het vermoeden bestaat dat deze een veranderingsproces positief beïnvloed? En is op basis van de gevonden inzichten een methodiek te ontwikkelen die gebruikt kan worden om een dergelijke beeldmetafoor te ontwikkelen?
  • 13. Doel van de studie, onderzoeksontwerp 13 4.3.3 Subvragen De gerelateerde onderzoeksvragen die uit de onderzoeksvraag voortvloeien.  Wat is een metafoor? Hoe werkt een metafoor? Wat is het effect van het gebruik van een metafoor?  Kan een metaforenaanpak werken bij het ondersteunen van organisatieverandering?  Hoe ontstaat een gemeenschappelijk jargon? Kunnen beelden dienen als vehikel voor betekenis? Kan er op die manier een nieuwe taal ontstaan?  Hoe ziet een stappenplan om tot een metafoor in een veranderingstraject te komen er inhoudelijk uit?  Wat wordt onder ‘het faciliteren van een workshop’ verstaan? Wat is goed faciliteren?  Welke bijzondere eigenschap of eigenschappen is/zijn gekoppeld aan het gebruik van beelden? 4.4 Methodiek Als je zoekt waar anderen al gezocht hebben, moet je niet verwonderd zijn dat je vindt wat anderen al gevonden hebben. Walter Baets, Wie orde zaait zal chaos oogsten (2002) Onze verkenningstocht naar een nieuwe taal voor verandering stoelen wij op een wetenschappelijk verantwoordde methodiek die wordt beschreven in de hierna volgende paragraaf. Wij baseren ons op een publicatie van prof.dr.ir. J.E. van Aken (1994). 4.4.1 Paradigma Bij het ontwikkelen van een onderzoeksprogramma speelt een centrale rol het daarbij gebruikte paradigma en de daarop gebaseerde onderzoeksmethodologie. Bij de keuze van het paradigma kan men zich laten inspireren door de paradigma´s van andere disciplines. De meest gebruikte paradigma´s zijn globaal in onderstaande drie categorieën in te delen:  de formele wetenschappen, zoals de filosofie, logica en wiskunde;  de empirische wetenschappen, zoals de natuurwetenschappen en sociale wetenschappen;  de ontwerpwetenschappen, zoals de technische wetenschappen, de geneeskunde, de bedrijfseconomie, de psychotherapie en de juridische wetenschap. De formele wetenschappen zijn ‘empirisch leeg’. Hun missie is het opbouwen van een stelsel uitspraken – premissen, stellingen, conclusies – waarvan de toets bestaat uit de onderlinge logische consistentie. De missie van een empirische wetenschap is het beschrijven, verklaren en zo mogelijk voorspellen van zintuiglijk waarneembare verschijnselen. De toets is of de uitspraken over de werkelijkheid ´waar´ zijn. De missie van een ontwerpwetenschap is het ontwikkelen van kennis voor het ontwerpen van artefacten en/of voor het verbeteren van bestaande entiteiten. De toets is of die kennis onder de aangegeven omstandigheden aantoonbaar bijdraagt aan het beoogde resultaat. Men zou kunnen zeggen dat de empirische wetenschappen zich bezighouden met datgene wat is en de ontwerpwetenschappen met datgene wat kan zijn.
  • 14. Doel van de studie, onderzoeksontwerp 14 Zoals gesteld is de missie van een ontwerpwetenschap het ontwikkelen van kennis ten behoeve van ontwerpen en verbeteren. Die kennis is primair bedoeld voor gebruik door de professionals op haar terrein. Een professional is een persoon uit een welomschreven beroepsgroep die met behulp van toepassingsvaardigheden wetenschappelijke kennis gebruikt bij het oplossen van waardeproblemen. Met ´waardeproblemen´ wordt bedoeld dat het gaat om het oplossen van problemen in de werkelijkheid, om daar de aanwezige ´waarde´ te vergroten; dit in tegenstelling tot kennisproblemen, die men ´waarheidsproblemen´ zou kunnen noemen. De kennis van een ontwerpwetenschap wordt vaak ontwikkeld via een symbiose van professionals en wetenschappers binnen een discipline. De professional lost problemen op en de wetenschapper analyseert hoe hij dat gedaan heeft, opdat anderen er voor analoge gevallen van kunnen leren. 4.4.2 Leren door professionals Om meer te kunnen zeggen over de betekenis en uitwerking van een professionaliseringsprogramma moeten wij kijken hoe er door individuen wordt geleerd. De cognitieve psychologie heeft ideeën over leren geleverd die later zijn overgenomen in de organisatieleer. Figuur 4.1, Kolb’s leercyclus Eén van de belangrijkste daarvan is de leerstijlen-cyclus van Kolb (Kolb, 1983). Kolb heeft een cyclus geïntroduceerd waarin bewust leren verbonden wordt met onbewust leren. Het cyclische leerproces vormt zich uit een wisselwerking tussen bezinnen – denken – beslissen – doen. Bezinnen is de reflectie op een handeling. Hierop volgt het denken: dit is het conceptualiseren van de bezinning en het daaruit ontwikkelen van nieuwe strategieën. Vervolgens wordt een strategie gekozen (beslissen), waarna een nieuwe actie volgt (doen). Op de actie volgt bezinning. De cyclus wordt afgezet tegen twee assen. De verticale as gaat van concreet (doen en bezinnen) naar abstract (beslissen en denken), de horizontale as gaat van actie (doen en beslissen) naar reflectie (denken en bezinnen), zie schema. Kenmerkend voor een cyclus is dat de verschillende fasen zich blijven opvolgen. Na ‘doen’ komt opnieuw weer ‘bezinnen’. Kolb's leercyclus is gebaseerd op een leermodel van Lewin, een theoreticus in het gebied van de experimentele leertheorie. Volgens Lewin maakt een mens steeds dezelfde cyclus door: van concrete ervaring naar het vormen van abstracte begrippen. Het is een fundamentele cyclus die model heeft gestaan voor de leerstijlen cyclus van Kolb. Ook Schein heeft zich laten inspireren door deze cyclus. Zijn versie noemde hij de observatie - emotionele reactie – beoordeling - interventie cyclus. De handelingscycli van Lewin, Kolb en Schein zijn descriptief. In de concreet abstract reflectiefactief bezinnendoen beslissen denken
  • 15. Doel van de studie, onderzoeksontwerp 15 descriptieve modellen wordt beschreven hoe handelingen kunnen worden waargenomen. Kolb's leercyclus laat zien hoe leren plaats vindt. Figuur 4.2, Ontwerpen – toepassen – observeren – beoordelen cyclus met gekoppelde leerstijlen De leercyclus van Kolb geeft ons aanwijzingen over hoe wij een onderzoek kunnen opdelen in verschillende fasen, waarbij iedere fase begint met het definiëren van de doelstellingen van de betreffende fase, en eindigt met een toetsing daarvan. Met andere woorden, zijn de doelstellingen zoals die gedefinieerd zijn aan het begin van de fase gehaald. 4.4.3 Beargumentering keuze In ons onderzoek maken wij, zoals hierboven beschreven is, gebruik van de methodiek van Kolb. Wij volgen in een aantal fases de leercyclus zoals hij die beschreven heeft. Een fase begint met de definitie van de doelstellingen (het “ontwerp” volgens het model van Kolb), het uitvoeren van het onderzoek (de “toepassing” in de cyclus van Kolb), het trekken van conclusies (“observeren”) en de toetsing aan de hand van de eerder geformuleerde doelstellingen (de “beoordeling” volgens Kolb). Deze methodiek is goed geschikt om een hypothese te formuleren. In dit onderzoek verrichten wij geen empirisch onderzoek, wij proberen een stelling te formuleren op basis van literatuurstudie, gesprekken en praktijkervaringen. De stelling die wij formuleren wordt niet empirisch onderbouwt. Wij hebben deze methode gekozen omdat deze aansluit bij hoe het duiden (figure) van de nog onbepaalde omgeving (ground) plaatsvindt. Dit gebeurt door herhaling, door te observeren, door een inzicht te ontwikkelen, door dit inzicht toe te passen, en door dit eventueel te herzien. En deze cyclus voortdurend te herhalen. Deze methodiek biedt plaats voor ervaring. individueel leren beoordelen observeren ontwerpen toepassen individueel double-loop leren individueel single-loop leren organisatie double-loop leren reactie uit omgeving actie organisatie individuele actie individuele mentale modellen kaders, routines organisatieindividuen gemeen- schappelijke mentale modellen conventies en routines in de organisatie
  • 16. Doel van de studie, onderzoeksontwerp 16 4.5 Onderzoeksontwerp Na keuze en toelichting van de te gebruiken onderzoeksmethodiek en vaststelling van de onderzoeksdoelstelling is het zaak te komen tot concrete opzet voor het onderzoek. Dit gebeurt in de navolgende beschrijving van het onderzoeksontwerp. Het onderzoeksontwerp vormt een blauwdruk (Cooper, 2003) voor de wijze waarop de centrale onderzoeksvraag en de bijbehorende subvragen beantwoordt moeten gaan worden. Het opstellen ervan kent een zekere gecompliceerdheid omdat gekozen kan worden uit een grote variëteit aan methoden, technieken en steekproefontwerpen. Daar staat tegenover dat het onderzoeksontwerp de onderzoekers in staat stelt eigen inzichten te verwerken in de opzet van het onderzoek. Zoals al is aangegeven bij de verantwoording van de keuze van de onderzoeksmethodiek (paragraaf 4.4) is gekozen voor een explorerende, lerende benadering middels het doorlopen van een leertraject. Dit leertraject bestaat uit meerdere (drie in getal) opeenvolgende leercycli. Wij beschouwen dit als een geschikte handelswijze om ‘voortschrijdend inzicht’ op te doen en dit te verwerken in de ontwikkeling van de handleiding voor de ontwikkeling van een nieuwe taal. Of deze nieuwe taal ook bijdraagt aan een verbetering van het veranderingstraject wordt niet getoetst. 4.5.1 Onderzoeksopzet Figuur 4.3, theoretisch leertraject, vier leerfasen, enkele metafase Het onderzoek zal verricht worden in drie opeenvolgende identieke leerfasen. Zie ook figuur 4.3. Hoewel identiek qua opzet krijgt elk van de eerste drie leerfasen een eigen invulling. De inzichten van fasen 1, 2 en 3 zullen worden samengevoegd in fase 4, de fase van de integratie. In de eindfase worden conclusies en aanbevelingen geformuleerd. De opzet van fase 1 tot en met 3 zal zijn: • formulering van doelstellingen en onderzoeksaanpak van de fase; • het uitvoeren van het onderzoek; • analyse van de onderzoeksresultaten; • toetsing aan de hand van de eerder geformuleerde doelstellingen. Elke van de fasen 1, 2 en 3 eindigt met het weergeven van het geleerde in de vorm van het beschrijven van de ‘parels’. Deze ‘parels’ zijn belangrijke inzichten en tijd aanbevelingen onderzoek studie literatuur- interviews workshop kwaliteit,diepgang fase 1 conclusies, eindfasefase 2 fase 3 fase 4 integratie
  • 17. Doel van de studie, onderzoeksontwerp 17 concepten die wij opgedaan of ontwikkeld hebben in de betreffende fase en die bijdragen aan een antwoord op de centrale onderzoeksvraag. Verzameling en analyse van de gegevens zal in elke van de drie leerfasen gebeuren aan de hand van vier hoofdthema’s, te weten: • Metaforen; • Organisatieverandering; • Visueel denken; • Faciliteren (in de betekenis van het faciliteren van een workshop). Fase 1, literatuurstudie De literatuurstudie zal zich richten op de vier (hiervoor genoemde) hoofdthema’s. Aan elk van deze hoofdthema’s zullen een of meerdere paragrafen worden gewijd. Fase 2, interviews In deze fase zullen aan de hand van een checklist expertgesprekken gevoerd worden met zowel ervarings- als vakdeskundigen. Fase 3, workshops Deze fase behelst het door de beide onderzoekers organiseren en leiden van twee metaforenworkshops. Deze fase van het onderzoek krijgt hiermee met opzet een participerend karakter. Wij vinden het van belang om het leertraject dat in de drie fasen wordt doorlopen te verrijken met het opdoen van eigen ervaring met het leiden van een workshop. Fase 4, integratie opgedane inzichten Een vierde fase zal fungeren als afsluiting van de ‘metafase’ die het gehele onderzoek omvat. In deze fase zullen wij de inzichten die wij hebben opgedaan tijdens onze zoektocht naar een nieuwe taal integreren. Wij zullen in een korte beschrijving duidelijk maken welke kansen er liggen door het gebruik van metaforen. Daarbij willen wij de lezer meenemen in de inzichten die wij tijdens onze tocht hebben opgedaan. Eindfase, conclusies en aanbevelingen In de eindfase zullen allereerst de conclusies van het onderzoek beschreven worden. Dat gebeurt door de subvragen te beantwoorden, door te kijken naar de centrale onderzoeksvraag en uiteindelijk te beoordelen of de onderzoeksdoelstelling gehaald is. Vervolgens wordt verwoord welke aanbevelingen gedaan kunnen worden op basis van de conclusies. Tevens worden aanbevelingen gedaan voor verder onderzoek.
  • 18. 5 Fase 1, literatuuronderzoek 5.1 Formulering van de doelstellingen van de fase Het is de bedoeling van deze fase van het leertraject om de, op bestaande vakinhoudelijke kennis gebaseerde, eerste inzichten van de onderzoekers verder uit te bouwen. Het gaat dus om het voortborduren op gedachten die zijn gevormd in het voortraject. Ook zijn gewenst structurering van de materie en antwoorden op de vraag ‘hoe zit het nu precies met de verschillende thema’s van dit werkstuk?’ Een rondgang langs deze thema’s dus, met als inzet de ontwikkeling van een (eerste) gedachtegang bij de onderzoeksdoelstelling. Van belang is ook het verkrijgen van inzicht in de vraag of het mogelijk is dat het door personen in een workshop ontwikkelen van een gezamelijk metaforisch beeld van een toekomstige (gewenste) situatie, een proces van organisatieverandering ondersteunt. Dit betekent dat de concrete doelen van deze fase de volgende zijn. • Het door het verrichten van literatuurstudie verzamelen van toepasbare informatie over de hoofdthema’s van dit onderzoek en de relaties ertussen. De vier hoofdthema’s zijn: - Metaforen; - Organisatieverandering; - Faciliteren; - Visueel denken. • Het formuleren van een denkmodel dat kan dienen als uitgangspunt of ‘kapstok’ bij aanvang van de tweede leerfase (het voeren van interviews met ervarings- en inhoudelijke deskundigen). • Het verkrijgen van inzicht in de vraag of een metaforenaanpak een proces van organisatieverandering kan ondersteunen. 5.2 Literatuurstudie; thema’s, aanverwante onderwerpen 5.2.1 Thema ‘metaforen’ The greatest thing by far is to be a master of metaphor. It is the one thing that cannot be learnt from others; and it is also a sign of genius, since a good metaphor implies an intuitive perception of the similarity in dissimilar. Aristoteles, Poetica 1459 a3-8, 350 AD Het gebruik van metaforen wordt wel gezien als een van de grote schatten van het menselijke denken. Wat zijn metaforen en hoe werken ze? In het navolgende een rondgang langs theoretische beschouwingen over het onderwerp metaforen. Een metafoor vergelijkt (Corbett, 1971) twee zaken die overeenkomstig zijn teneinde een boodschap over een van de twee zaken te communiceren. Wat metaforen daarbij kenmerkt is dat zij niet verkondigen dat zij de ene zaak met de andere vergelijken. Zij zeggen bij wijze van spreken dat A overeenkomt met B maar laten het aan de goede verstaander over om te begrijpen welk het verband tussen A en B bedoeld wordt. Een plaatsbepaling van ‘metafoor’ ten opzichte van het begrip analogie is zinvol. Het verschil tussen een analogie en een metafoor is niet eenduidig en scherp. In het algemeen (Corbett) kan gesteld worden dat in analogieën een overeenkomst expliciet benoemd wordt, er wordt als het ware gemeld dat het om een analogie gaat. In metaforen is dat niet het geval.
  • 19. Fase 1, literatuuronderzoek 19 Richards (Richards, 1936) heeft in een model de werking van metaforen zichtbaar gemaakt (figuur 5.1). Het ‘vehicle’ (het brondomein) van de metafoor is datgene dat de betekenis overbrengt; de ‘tenor’ (het doeldomein) is de feitelijk bedoelde betekenis, het verband tussen de twee wordt de ‘ground’ (de ervaringsgrond) genoemd. De ervaringsgrond kan gezien worden als een gewaarwording of als een verzameling van ervaringen waarop de metafoor is gebaseerd en op grond waarvan wij haar begrijpen. Figuur 5.1, schema werking metafoor Richards (1936) Een verdere uitwerking van Richards’ model (figuur 5.2) toont dat bij het concept van bron- en doeldomein het feitelijk gaat om een enkele bedoelde combinatie van bron- en doeldomein uit vele mogelijke (Black, 1962); de gepercipieerde overeenkomst tussen bron- en doeldomein is er een uit vele mogelijke. Het op basis van de ervaringsgrond herkennen van het doeldomein van de metafoor is als het oplossen van een klein raadsel; een computer zou vele mogelijke overeenkomsten tussen bron- en doeldomein moeten analyseren om tot een goede duiding van de metafoor te komen. Mensen echter, blijken zeer bedreven in het herkennen en begrijpen van het doeldomein, zij doen dit onbewust en zonder inspanning. Denken in metaforen is een elementair kenmerk van de menselijke geest. Wel veronderstellen metaforen de aanwezigheid van gemeenschappelijke ervaring bij zowel zender (die de metafoor uit) en ontvanger (die de metafoor interpreteert). Figuur 5.2, schema werking metafoor Black (1962) Voorzetten tot vernieuwing van denken over metaforen werden gegeven door Richards (1936) en Black (1962), maar vooral aan het eind van de zeventiger jaren van de twintigste eeuw kwam het metafooronderzoek tot ontwikkeling. Zoals al in de inleiding van dit werkstuk is aangegeven getuigt een veelheid aan publicaties over metaforen daarvan. Daarbij heeft vooral het inzicht terrein gewonnen dat metaforisch denken een essentieel kenmerk van de menselijke geest is. Een belangrijke nieuwe benadering en een theorie waarin dat inzicht consequent is uitgewerkt is de vehicle (brondomein) - brengt betekenis over tenor (doeldomein) - overgebrachte betekenis ground (ervaringsgrond) - verband tussen bron en doel A B vehicle (brondomein) tenor (doeldomein) ground (ervaringsgrond)
  • 20. Fase 1, literatuuronderzoek 20 Conceptuele Metafoortheorie (CMT), die geïntroduceerd werd door Lakoff en Johnson (1980) en verder beschreven is door onder meer Lakoff en Turner (1989). De Conceptuele Metafoortheorie bestaat uit acht stellingen, ingedeeld in drie groepen, die als de hoofdpunten van de theorie beschouwd kunnen worden. 1a. De meeste menselijke gedachten en uitspraken zijn gedeeltelijk metaforisch - strikt letterlijk taalgebruik is een uitzondering. 1b. Conventionele metaforen zijn niet 'dood' en zelfs niet 'slapend'. Integendeel, juist doordat ze niet bewust herkend worden, zijn ze bepalend voor het wereldbeeld van een (sub)cultuur of taalgemeenschap. 1c. De menselijke geest ervaart de werkelijkheid niet direct, maar via een cultureel bepaald conceptueel systeem. 2a. Een metafoor bestaat uit het ten dele begrijpen van een concept 'in termen van' een ander concept, uit een ander betekenisdomein, maar van een vergelijkbare 'cognitieve structuur'; dat andere domein heet het brondomein, het domein dat daardoor op metaforische wijze beschreven wordt heet het doeldomein. 2b. Met uitzondering van de meest originele gevallen zijn metaforen geen willekeurige verbindingen van concepten; het verband is geworteld in een ervaringsgrond. 2c. Het conceptuele systeem is grotendeels door metaforen gestructureerd. Specifieke conventionele metaforen worden niet (alleen) als oneigenlijke woordbetekenis onthouden en verwerkt, maar (ook) als toepassing van een basis- of algemene metafoor. Metaforen zijn onderling gerelateerd door middel van categorisatie (specifieke als onderdeel van algemene) en overeenkomst of contrast in brondomein, doeldomein of ervaringsgrond. 3a. Een metafoor kan in taal uitgedrukt worden, maar ook in gebaren, afbeeldingen, handelingen, grammaticale structuren en mogelijk nog andere media. 3b. Er is geen onoverkomelijk verschil in aard tussen betekenissen en beelden (mentale representaties of simulaties van zintuiglijke waarnemingen); de cognitieve structuur van een complex concept wordt onthouden door middel van een tussenvorm: het image-schema. De Conceptuele Metafoortheorie vormt de kern van een nieuwe richting in de taalkunde, de cognitieve linguïstiek. De Conceptuele Metafoortheorie heeft in tweeledige zin een conceptueel karakter. In eerste plaats beschouwt de theorie de metafoor als een relatie tussen concepten, meer dan tussen woorden of dingen. Een metafoor kan daarom tientallen of zelfs honderden verschillende betekenissen mogelijk maken. Een concept uit het ene betekenisdomein (het doeldomein) wordt begrepen door middel van een concept uit het andere (het brondomein). Complicatie is dat de metafoor er niet bij meldt hoe de concepten van de domeinen te onderscheiden. Daarbij benadrukt Lakoff (1980) dat het bij de metafoor niet in de eerste plaats om de relatie tussen de complete bron- en doeldomeinen gaat, maar om de betekenisoverdracht. Het gaat om een partiële projectie van de structuur en betekeniselementen van het brondomein op het doeldomein. En het is essentieel om te bedenken dat die projectie altijd slechts gedeeltelijk is. ‘It is important to see that the metaphorical structuring involved here is partial, not total. If it were total, one concept would actually be the other, not merely be understood in terms of it’ (Lakoff en Johnson, 1980). Totale projectie zou betekenen dat bron- en doeldomein aan elkaar gelijk zijn. In de tweede plaats worden metaforen in de Conceptuele Metafoortheorie beschouwd als bepalend voor het conceptuele systeem van culturen en personen; metaforische uitspraken en gedachten zijn zeer alomtegenwoordig. Conventionele
  • 21. Fase 1, literatuuronderzoek 21 metaforen zijn dus geen dode restanten van oude stijlfiguren, maar levende ideeën die - vaak ongemerkt – van invloed zijn op hoe mensen de wereld om hen heen waarnemen. Metaforen geven derhalve vorm aan ons conceptuele systeem. Metaforen zijn onontbeerlijk om de ons omringende wereld te abstraheren en te duiden, en onze perceptie ervan te communiceren. De formele uitleg van het woord metafoor die Geerts et al geven in Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse taal (1999) luidt als volgt. metafoor [Gr. metaphora] 1. overdrachtelijk taalgebruik waarbij een woord of uitdrukking gebruikt wordt voor iets waarop het in letterlijke zin niet van toepassing is; 2. overdrachtelijk taalgebruik gebaseerd op vergelijking; 3. niet-verbaal gegeven dat als teken voor iets anders gebruikt wordt Geerts et al, Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal (1999) Geerts et al stellen dat ‘metafoor’ zijn oorsprong vindt in het Griekse metaphora (hetgeen letterlijk ‘overdracht’ betekent). En hij geeft een drietal betekenissen; de eerste twee hiervan zijn van toepassing op het gebruik van metaforen in taal, de derde betekenis is juist niet verbaal. Een eerste twee betekenissen duiden op een vorm van overdrachtelijk taalgebruik. Ook de derde betekenis duidt op overdrachtelijkheid maar is niet-talig en luidt: een metafoor kan een niet-verbaal gegeven zijn dat als teken voor iets anders gebruikt wordt. Een metafoor volgens deze verklaring verbeeldt betekenis zonder dat er tekst aan te pas. In dit onderzoek gaat om het functionele ‘metaforische’ gebruik van beelden. Daarom is met name de derde niet-talige betekenis van ‘metafoor’ van toepassing. In het overgrote deel van dit werkstuk zal het woord metafoor conform deze derde betekenis gebruikt worden. Hiervoor wordt bij deze de term ‘beeldmetafoor’ (hoewel eigenlijk niet bestaand in de Nederlandse taal) in het leven geroepen. En wel omdat dit woord de ‘lading’ van het metaforisch gebruik van beeld het best weergeeft. beeldmetafoor metafoor waarbij een beeld fungeert als betekenis overbrengend domein (brondomein); het medium waarin de metafoor uitgedrukt wordt is dat van het beeld; een beeldmetafoor verbeeldt op niet-verbale en zinnebeeldige (geestelijke, abstracte) wijze betekenis In de terminologie van Richards (zie figuur 5.1) is bij een beeldmetafoor het brondomein niet taal maar (in letterlijke zin) beeld is. Een beeldmetafoor verbeeldt op niet-verbale en zinnebeeldige (geestelijke, abstracte) wijze betekenis. Vanzelfsprekend gebeurt dit zonder deze betekenis rechtstreeks te beschrijven omdat dat laatste natuurlijk enkel met behulp van taal kan. Overdrachtelijkheid is in hoge mate aan de orde; betekenis wordt in de abstracte vorm van een beeld gecommuniceerd. De algemene benaming die wij in dit onderzoek zullen gebruiken is die van metafoor. Het precieze instrument dat gehanteerd zal worden in de methodiek van de metaforenaanpak is een verbijzondering daarvan: de beeldmetafoor. Verhelderend werkt in dit verband ook een uitleg van het woord beeldspraak. Sommigen stellen het gebruik van beeldspraak volledig gelijk aan het gebruik van metaforen. Wij zien metaforen in ieder geval als een van de soorten van beeldspraak (naast bijvoorbeeld metonymia en ironie). Het werken met beeldmetaforen in dit onderzoek gebeurt met een vooropgezet doel, het ondersteunen van een proces van organisatieverandering. Het gaat dus om het
  • 22. Fase 1, literatuuronderzoek 22 functionele gebruik maken van metaforen. Dit vraagt om een nadere uitwerking van begrip allegorie. Een allegorie is immers een toepassingsvorm van een of meerdere metaforen. allegorie [Gr. allegoria] 1. op het metaforische principe gebaseerde voorstelling van een idee of een abstract begrip, 2. aantal metaforen en/of vergelijkingen die samenvloeiend één beeld vormen, synoniem: uitgewerkte metafoor, voorbeeld: de Mei van Gorter is een allegorie, het is een literair werk dat bepaalde toestanden of gebeurtenissen suggereert door parallel lopende voorstellingen uit een andere sfeer. Geerts et al, Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal (1999) Een allegorie is volgens Geerts et al (1999) een metaforische voorstelling van een idee of een abstract begrip. Daartoe kunnen een of meerdere metaforen samengevoegd worden tot een beeld. Het voorbeeld in het citaat beschrijft de Mei van Gorter als een literair werk dat op overdrachtelijke wijze bepaalde toestanden of gebeurtenissen duidelijk maakt. Het is bij een allegorie van belang dat deze ‘toestanden of gebeurtenissen’ op eenduidige wijze te herkennen zijn. Hebben wij het in dit onderzoek nu over metaforen of over allegorieën? De aanpak van het met een bedoeling gebruikmaken van beelden die niet letterlijk maar zinnebeeldig opgevat moeten worden wijst op ‘allegorieën’. Feit is echter dat van een eenduidige herkenbaarheid van de betekenis van de beelden, belangrijk is het geval van een allegorie, weinig sprake zal zijn. Veeleer zullen de beelden per gelegenheid en per toepassing een eigen, contextgevoelige betekenis meekrijgen. Dit ontslaat ‘allegorie’ van geschiktheid als benaming. En zal in dit werkstuk consequent ‘metafoor’ (of ‘beeldmetafoor’) gebruikt worden. Maar het is belangrijk te beseffen dat het gaat om een bewuste toepassing ervan. In 'Metaphor and knowledge' (Baake, 2003) gebruikt Ken Baake de muziekleer als metafoor om het begrip metaforen uit te leggen. Hij zegt dat als er een toon wordt gespeeld op een instrument er vele andere tonen meeklinken. Verschillende instrumenten accentueren verschillende 'bijtonen'. Daarom klinkt een piano anders dan een trompet, ook als die dezelfde toon laat horen. Baake stelt dat woorden (of beelden) ook bijbetekenissen hebben, vergelijkbaar met de bijtonen in de muziek. En dat die bijbetekenissen een andere kijk op de werkelijkheid kunnen geven, afhankelijk van de context waarin het geplaatst wordt. Resteert de vraag hoe het zit met het effect van het gebruik van metaforen. Het prikkelt ons verbeeldingsvermogen, gaat ermee aan de haal. Treffend wordt dit verwoord door Veenbaas. Mensen worden door verhalen en metaforen naar ideeën en ervaringen geleid die het directe bevattingsvermogen van de rede te boven gaan. Het bijzondere van verhalen en metaforen is namelijk dat ze boodschappen kunnen overdragen zonder dat het bewustzijn van de luisteraar of de lezer gaat tegenwerken. Ze kunnen een vastgelopen gedachtegang op gang helpen, gevoelens bespreekbaar maken, houvast creëren bij complexe abstracties. Ze kunnen dienen als modelvoorbeeld of geheugensteun en ze brengen de luisteraar tot creatief associëren. Met andere woorden: een verhaal of een metafoor verschaft iemand een kader waardoor hij de werkelijkheid met een ander oog kan bekijken. Veenbaas, Op verhaal komen (1994) Ook Baardman (1996) vertelt hoe pakkend het gebruik van metaforen kan zijn.
  • 23. Fase 1, literatuuronderzoek 23 De eerste twee sprekers hielden een inleiding over verkoop. Na al die jaren – het was in 1975 – kan ik me niets meer van die speeches herinneren; wel dat ik de stoel waarop ik zat begon te voelen en dat ik hoopte dat het snel pauze zou zijn. Maar voordat de koffie kwam, moesten we nog naar een derde spreker luisteren. … Vanaf dat moment werd alles anders. Hij begon zijn speech op een andere manier. In plaats van een hele verhandeling over motivatie, begon hij een verhaal te vertellen over een boer in Zuid-Afrika die diamanten wilde zoeken. Daarna vroeg hij wat ons motiveerde naar die avond te komen om verkoper te willen worden. Hij vroeg wat motivatie nu eigenlijk was. Zelf kon hij er geen definitie van geven, maar hij kon ons wel een voorbeeld geven. Hij vertelde het verhaal van een verlegen student op een universiteit, die ook eens een meisje wilde versieren. Er was een heel andere sfeer. We vergaten de tijd en de koffie. Ik kan me nog zoveel uit zijn speech letterlijk herinneren. Baardman, Management met metaforen (1996) Resumerend kan gezegd worden dat: • overdrachtelijkheid een wezenlijk element van metaforen is, • de meeste menselijke gedachten en uitspraken (gedeeltelijk) metaforisch zijn, • een metafoor bestaat uit het begrijpen van een concept in termen van een ander concept, • de menselijke geest de werkelijkheid niet direct, maar via een cultureel bepaald conceptueel systeem ervaart, en dat dit conceptuele systeem grotendeels door metaforen is gestructureerd, • metaforen vormgeven aan ons conceptueel systeem en zijn daarmee van invloed op hoe wij de ons omringende wereld ervaren, • een metafoor in taal uitgedrukt kan worden, maar ook in gebaren, afbeeldingen, handelingen, grammaticale structuren en mogelijk nog andere media, • het analyseren van metaforen bepaald anders is dan de werking van metaforen ervaren, metaforen analyseren is iets anders dan metaforen gebruiken, de magie van het gebruik van metaforen gaat goeddeels verloren bij het pogen deze te ontrafelen, • het gebruik van metaforen in letterlijke zin tot de verbeelding spreekt. 5.2.2 Thema ‘metaforen’ (over concepten en expressie) De essentie van de metafoor is het begrijpen en ervaren van iets op basis van iets anders. Lakoff en Johnson (1980) Volgens Lakoff en Johnson (1980) is de metafoor alom aanwezig in niet alleen taalgebruik maar ook denken van alledag. Zij stellen dat de metafoor van groot belang is en mogelijk zelfs de sleutel vormt tot een verklaring van wat begrijpen is. Zij geven een alternatieve verklaring voor de manier waarop mensen betekenis vormen waarin persoonlijke ervaring en begripsvorming van belang zijn. Centraal staat de gedachte dat taal het conceptuele systeem van de spreker van die taal kan weerspiegelen. De metafoor wordt vaak gezien als een kenmerk van de taal. Lakoff en Johnson stellen dat de metafoor niet alleen tegenwoordig is in de taal maar ook in de manier waarop wij denken en handelen. Het conceptuele systeem (waarop ons denken en handelen gebaseerd is) is metaforisch van aard.
  • 24. Fase 1, literatuuronderzoek 24 Nu is het conceptuele systeem belangrijk bij het afbakenen van de ervaringen van alledag. Als het klopt dat ons conceptuele systeem metaforisch van aard is, dan is wat wij dagelijks denken, doen, ervaren in hoge mate een zaak van metaforen. Bij het onderzoeken van de metaforische aard van ons conceptuele systeem richten Lakoff en Johnson zich op het analyseren van taal. Immers, omdat communicatie (via taal) is gebaseerd op ons conceptuele systeem, is taal een belangrijke bron van informatie over dat systeem en de werking ervan. Tal van taalkundige voorbeelden zijn te geven van metaforische concepten die via taal de vorm bepalen van gewone dagelijkse gebruiken. Een voorbeeld van een metaforische concept waar wij in onze cultuur naar leven is ‘tijd is geld’. Hier wordt ‘tijd’ gedeeltelijk opgevat, vormgegeven en besproken met het begrip ‘geld’. En zeer wezenlijk is hier dat de metafoor niet alleen zit in de woorden die wij gebruiken. De metafoor zit juist in het begrip dat wij van ‘tijd’ hebben. De metafoor is niet een kwestie van alleen woorden. Waar het om gaat is dat menselijke denkprocessen grotendeels metaforisch zijn. Dat is wat wordt bedoeld wanneer wordt gezegd dat het menselijke conceptuele systeem door metaforen wordt gevormd en bepaald. Metaforen komen in de taal terug juist omdat ieders conceptuele systeem is opgebouwd rond metaforen. Er bestaan systematische relaties tussen metaforische concepten en metaforische uitdrukkingen in onze taal. Lakoff en Johnson, 1980 In het geval van Lakoff en Johnson heeft de metaforische expressie de vorm van de taal. Zij ontginnen de metaforische binnenwereld van mensen aan de hand van taal. Over andere vormen van metaforische expressie laten zij zich niet uit. Als wij onszelf de vrijheid gunnen de ‘metaforische uitdrukking in de taal’ te vervangen door ‘de metaforische expressie’ (die in plaats van talig bijvoorbeeld beeldend kan zijn) kunnen wij het volgende opmerken. Metaforische concepten uiten zich in metaforische expressies. Andersom valt de metaforische natuur van ons conceptuele systeem te onderzoeken door metaforische expressies te onderzoeken en te analyseren. Aan het metaforische van de expressies is het metaforische van het denken af te lezen. Het is mogelijk om metaforen concepten en metaforische expressie (of metaforische uitdrukking) van elkaar te onderscheiden. Van belang is daarbij te onderkennen dat metaforische concepten zich uiten in metaforisch expressie. En dat metaforische expressie voor mensen een belangrijk middel is om metaforische concepten met elkaar te delen. Het is mogelijk metaforisch concept en metaforische expressie te onderscheiden. Het is echter niet mogelijk om ze los van elkaar te zien.
  • 25. Fase 1, literatuuronderzoek 25 5.2.3 Thema ‘metaforen’ (toepassingen van metaforen) I have a deep conviction that allowing people to express what they want to create is basic and essential to developing individual and organizational potential. It is also essential for achieving and sustaining a competitive advantage. Marjorie Parker, Creating Shared Vision (1990) Metaforen zijn een geestverruimend middel zonder schadelijke bijwerkingen. Paul Baardman, Management met metaforen (1996) In zijn ‘grotvergelijking’ gebruikte Plato (427-347 AD) de metafoor van de schaduwen die worden geworpen op een wand van een grot (en waarmee grotbewoners de wereld buiten die grot ervaren) om te illustreren hoezeer werkelijkheidbeleving een dubbelzinnig gegeven is dat bepaald wordt door het paradigma waarmee de beschouwer die ‘werkelijkheid’ ervaart. Een kolderiek maar ook sprekend voorbeeld van metaforentoepassing in de tegenwoordige tijd is de film ‘Being there’. Hierin schopt een wereldvreemde tuinman het tot adviseur van de president van de Verenigde Staten door metaforen van het tuinieren toe te passen op dilemma’s uit economie en politiek. In dit werkstuk gaat het om de aanwending van metaforen als bedrijfskundig instrument om organisatieverandering te ondersteunen. Toepassingen van metaforen in de bedrijfskunde dus. Wij laten daarbij twee legendarische voorbeelden de revue passeren. In ‘Images of organization’ (1986) beschrijft Gareth Morgan acht generieke metaforen waarmee typologieën van organisaties in de vorm van metaforen worden beschreven. Deze ‘contrasting’ metaforen ondersteunen het begrip van de complexe aard van het leven in organisaties en de kritische evaluatie van de fenomenen in diezelfde organisaties. Wat Morgan vooral aantoont is dat middels de acht metaforen eenzelfde organisatie op verschillende manieren ‘gelezen’ kan worden. Het is een spelen met paradigmakeuze. Hierdoor is het mogelijk afstand te nemen van de praktijk en verschillende inzichten te krijgen, afhankelijk van het ingenomen standpunt. De acht metaforen van Morgan zijn de volgende. • Organisaties als machines, die suggereert dat organisaties ontworpen kunnen worden als machines met geordende relaties tussen helder gedefinieerde delen, deze zienswijze verschaft de basis voor een efficiënte operatie, kan nadelige gevolgen hebben en de ontwikkeling van persoonlijke capaciteiten van medewerkers belemmeren, heeft een link met de bureaucratische organisatie. • Organisaties als organismen, ziet organisaties als zich gedragend als levende organismen behorend tot verschillende species, elk aangepast aan de omstandigheden in een verschillende omgeving, deze metafoor laat onder meer zien hoe belangrijk organisch de organische organisatievorm is voor innovatie. • Organisaties als hersenen, ziet de organisatie als inventief en rationeel op een manier die flexibiliteit en creativiteit verschaft, organisaties in termen van informatieverwerking, leren, intelligentie. • Organisaties als culturen, beschouwt de organisaties als complexe systemen met een eigen karakteristieke set van ideologieën, waarden, rituelen, gewoontes, organisaties beschikken over eigen patronen van ‘meaning’ die organisatieleven leiden. • Organisaties als politieke systemen, organisaties zijn intrinsiek ‘politiek’, het gaat er om macht, hiërarchie en conflicterende belangen, een paradigma dat helpt een belangrijk deel van de dagelijkse gang van zaken in organisaties te begrijpen.
  • 26. Fase 1, literatuuronderzoek 26 • Organisaties als geestelijke gevangenissen (psychic prisons), ziet organisaties als psychologische fenomenen met bewuste en onbewuste gecreëerde processen, waarin mensen ook ernstig beklemd kunnen raken, geeft een inzicht in het psychodynamische functioneren van organisaties. • Organisaties als flux en transformatie, ziet de organisatie als in een constante staat van ‘flux’, tegelijkertijd zowel in rust als in beweging, organisaties als fenomenen vol tegenstrijdigheden. • Organisaties als instrumenten van overheersing (instruments of domination), ziet processen van sociale overheersing als geassocieerd met organisaties, met individuen en groepen die anderen de wil opleggen, met een asymmetrische machtsstructuur ook, ten behoeve van het belang van enkelen door de inspanning van velen. Naar de mening van de auteurs van dit werkstuk zou aan de acht ‘archetypische’ organisatiemetaforen nog een negende toegevoegd moeten worden, namelijk die van de ‘organisaties als chaotische systemen’. Deze metafoor zou als grondgedachte hebben dat organisaties complexe (dynamische, niet-lineaire) systemen zijn en zich als zodanig gedragen. Op complexe systemen zijn de principes van autopoiese (zelforganisatie en zelfreproductie) en emergent behaviour (voorzien van een eigen onvoorspelbare rationaliteit) van toepassing. Rigide sturing van dergelijke systemen leidt tot hoogst onvoorspelbare uitkomsten. De chaos school propageert een lerende managementattitude, het hoogstens een paar stappen vooruit denken en sturing op basis van slechts een beperkt aantal basisregels. De basis van Morgan’s benadering is dat ‘our theories and explanations of organizational life are based on metaphors that lead us to see and understand organizations in distinctive, yet partial ways. Metaphor is often just regarded as a device for embellishing discourse, but its significance is much greater than this. For the use of metaphor implies a way of thinking and a way of seeing that pervade how we see our world generally.’ Morgan geeft aan het gebruik van metaforen dus een meer dan taalkundige uitleg. Hij meent dat het gebruik van metaforen vorm geeft aan onze ervaring van de omringende wereld. Een kritische beschouwing van Morgan’s metaforenbenadering verwoordt William McCourt (1997). Wat McCourt doet is zich afvragen ‘Does the metaphorical approach live up to its promise as a new and fruitful technique for understanding and acting in organizations?’ En hij doet dit door de invloedrijke ideeën van Morgan te onderzoeken. Volgens McCourt claimt Morgan twee zaken, namelijk dat het gebruik van metaforen niet enkel een ‘linguistic device’ is maar een fundamenteel element van het wetenschappelijke denken. En dat metaforisch denken ons nieuwe inzichten zou moeten geven in hoe organisaties zich gedragen, met vervolgens de mogelijkheid om ‘creative action’ te ondernemen. McCourt’s stuk focust op de epistemologische (aangaande grenzen en validiteit van kennis) aspecten van het gebruik van metaforen. Uiteindelijk concludeert hij dat Morgan inderdaad een nieuwe zienswijze heeft verwoord. Hij betwijfelt echter of het echt om een veranderingsgereedschap gaat. In ‘Creating shared vision, the story of a pioneering approach to organizational revitalization’ (1990) beschrijft Marjorie Parker hoe het grote Noorse aluminiumbedrijf KF een uitgebreid veranderingstraject doorloopt aan de hand van een vooraf geformuleerde beeldmetafoor. Through the telling of a powerful story the book relates in luscious detail how one organization made it work. Parker beschrijft het organisatiebreed ontwikkelen en uitwerken van een toekomstvisie bij een Noors aluminium producerend bedrijf. ‘Visioning’ is het woord
  • 27. Fase 1, literatuuronderzoek 27 waar het in het boek om draait. Hiermee doelt Parker op het creatieve proces van het creëren van een gemeenschappelijke toekomstvisie binnen de organisatie. Belangrijk instrument in dit proces is een van tevoren en petite comité (samen met de topmanager) bedachte en vastgestelde beeldmetafoor. Het is de metafoor van de tuin die gedurende het hele verdere traject dient als kapstok voor het proces van visioning. Opmerkelijk is dat bijna alle medewerkers, zo’n tweeduizend, bij het proces worden betrokken. De mate van involvement is zeer groot. Parker’s betoog is eerder algemeen beschrijvend dan scherp analyserend. Daarbij is zij nogal methodeverliefd; het is vooral indrukwekkend wat zij samen met de Noren heeft volbracht. Zij is aanmerkelijk explicieter over de voordelen en deugden van het door haar begeleide proces dan over de nadelen en tekortkomingen ervan. Evengoed bevat haar boek veel authentieke en interessante ervaringsinformatie. Daarbij is het een klassieker op metaforengebied, een van de eerste publicaties over organisatieverandering met een metafooraanpak. Overigens, er wordt niet gezamenlijk een metafoor ontwikkeld. Het is de uitwerking van de metafoor naar actiepunt die gezamenlijk en organisatiebreed gebeurt. Over de aanpak van Parker kunnen een aantal zaken opgemerkt worden. Zo stond KF voor een paradoxale opgave. Aan de ene kant was decentralisatie van vier business units gewenst, terwijl tevens een grotere integratie (samenwerking) het oogmerk was. Een eerste stap die werd gezet was het zoeken van een term voor deze tegenstelling. Deze werd gevonden in ‘desentralisert fellesskap’. Aangezien de CEO moeite had zich hier iets bij voor te stellen werd naar een analogie gezocht. Uiteindelijk werd deze gevonden in de vorm van een metafoor van een tuin. Met afzonderlijke planten en dieren, maar evengoed een uniek collectief vormend. Verder is het bij KF gevolgde traject in zekere zin top-down, het idee slaat aan bij de CEO, gevolgd door ‘bringing it down’ en ‘employee involvement’. Geen focus op problemen maar focus op potential. Het kiezen van een creatieve weg, de durf om voor een ‘softe’ aanpak te kiezen, met name door CEO Bjork, die werd geaccepteerd omdat hij authentic en sincere was, ‘he speaks from his heart’. Gaspersz (2002) benoemt gebruikmaken van metaforen als een creativiteitstechniek die valt onder de noemer denkverschuiving. Het denken wordt verschoven naar een andere wereld waarin zich vergelijkbare problemen kunnen voordoen. ‘Door de eigen situatie binnen de context van de metafoor te denken, kunnen we nieuwe ideeën krijgen over oplossingen.’ 5.2.4 Thema ‘metaforen’ (plaatsbepaling metaforenaanpak) In dit thema gaat het om een plaatsbepaling van de metaforenaanpak. De vraag die gesteld wordt is: wat voor instrument is metaforenaanpak, en wat zijn de bijzondere eigenschappen ervan? Eerste wijze van plaatsbepaling Een eerste wijze van plaatsbepaling is het afzetten van metaforenaanpak tegen spelsimulatie. Spelsimulatie is een uitvoerig ontgonnen en beschreven instrument voor organisatieverandering, waar metaforenaanpak (als veranderingsinstrument) dat niet is. Ook kunnen beide ‘tools’ oppervlakkig beschouwd in een zelfde hoek van alternatieve veranderingsbenaderingen geplaatst worden. De basisgedachte bij deze plaatsbepaling is dat de kenmerken en eigenschappen waarmee spelsimulatie beschreven wordt kunnen dienen als een basis voor het beschrijven van metaforenaanpak.
  • 28. Fase 1, literatuuronderzoek 28 Een speurtocht dus naar analogieën en verschillen tussen spelsimulatie enerzijds en metaforenaanpak anderzijds. Belangrijke bron bij deze verkenning is De Caluwé, Geurts, et al (2001) waarin organisatieverandering met spelsimulaties geanalyseerd en beschreven wordt. • Een eerste overeenkomst is tegelijkertijd een paradox. Want bij spelsimulatie gaat het niet om het spel en bij metaforenaanpak (uiteindelijk) niet om de beelden. In beide gevallen gaat het om het faciliteren van organisatieverandering. Een belangrijke overeenkomst die metaforenaanpak dus vooral kenschetst als instrument voor (het ondersteunen van) verandering. • Niet overeenkomstig van aard zijn de niveaus van abstractie waarop metaforenaanpak en spelsimulatie zich afspelen. Dit valt te visualiseren met de ‘kegel van abstractie’ (Duke, 1980, zie figuur 5.3). Metaforenaanpak is van een hoog abstractieniveau, spelsimulatie kent een grotere ‘abstractierange’. De Caluwé en Geurts stellen hierbij dat symbolische spelen met een hoog abstractieniveau succesvol kunnen zijn ‘als middel tot motivatie en als ijsbreker’. Toch merken zij op dat spelsimulaties in het algemeen relatief laag op de kegel moeten liggen. Een zekere gedetailleerdheid maakt de relatie met de realiteit van de werkomgeving eenvoudiger. Overigens, relativeren Day en Reibstein (secundaire literatuur, 1997) deze stellingname door te stellen dat de keuze van het niveau van abstractie een belangrijke is; pogingen om een grote gedetailleerdheid in een spelsimulatie te brengen zijn gedoemd te mislukken. Gesteld kan worden dat metaforenaanpak zich afspeelt op een hoog abstractieniveau waardoor de afstand tot de werksituatie relatief groot is. Figuur 5.3, abstractieniveau respectievelijk metaforenaanpak en spelsimulatie • De Caluwé en Geurts beschrijven maar liefst vijf categorieën van doelstellingen die verband houden met het gebruik van spelsimulaties. Dit zijn: • bewustwording en motivatie, • vaardigheidstraining, • kennis en inzicht, • communicatie en samenwerking, • integratie van leerervaringen. Op deze schaal van vijf scoort metaforenaanpak een drie. Want ‘bewustwording en motivatie’, ‘communicatie en samenwerking’ en ‘integratie van leerervaringen’ kunnen als vanzelfsprekend aan metaforenaanpak worden toegeschreven. Bij het derde punt dient dan opgemerkt te worden dat het gaat om integratie van eerder opgedane leerervaringen. Als nieuwe categorieën kunnen daar aan toegevoegd worden ‘vorming van een gedeelde toekomstvisie’ en ‘aanzet tot vrije en associatieve gedachtevorming’. Op het vlak van deze categorieën van functionaliteit is metaforenaanpak van een andere, vrije aard dan spelsimulatie.
  • 29. Fase 1, literatuuronderzoek 29 • Spelsimulatie kan vanwege zijn spelelement gezien worden als ‘vrijmakend’ voor haar beoefenaren. In het volgende citaat halen De Caluwé en Geurts de Nederlandse filosoof Huizinga aan. ‘In de principieel vrije activiteit van het spel onttrekt de mens zich aan de dwang van het bevredigen van zijn onmiddellijke levensbehoeften. Het spel bevordert op deze wijze creativiteit en geestelijke ondernemingslust.’ Een zelfde vrijmakend effect kan aan metaforenaanpak toegeschreven worden. Maar dan op basis van de constructieve distantie van het abstraheren dat inherent is aan het werken met metaforen. En ook vanwege het vrije en associatieve karakter van het werken met beelden. • ‘Simulatie is het proces van het ontwerpen van een model van een bestaand systeem en het uitvoeren van experimenten met dit model. Een model is een gesimplificeerde afbeelding van een complex systeem dat de beschrijving en analyse van dat complexe systeem vergemakkelijkt’ (Becker en Goudappel, 1972). Spelsimulatie heeft een hoog modelbouwkarakter en abstractie ligt aan de basis van modelbouw. Modelbouw kent (Hanken en De Reuver, 1976) drie fasen, te weten abstractie (de vorming van het model), deductie (het analyseren van het model), en implementatie (in gebruik name). Zie figuur 5.4. Modelbouw is cyclisch van karakter en gericht op verbetering van de toepasbaarheid van het model. Metaforenaanpak doet op eigen wijze aan modelbouw. Het in een metaforenworkshop ontwikkelde metaforische beeld heeft daarin de rol van het model. De fasen van abstractie, deductie en implementatie worden eveneens doorlopen. Een model is een gesimplificeerde afbeelding van een (complex) systeem. Een metaforisch beeld bij metaforenaanpak is dat ook. Met dien verstande dat het metaforische beeld vooral de visies van de makers op een toekomstige organisatiesituatie in zich bergt. • Zowel spelsimulatie als metaforenaanpak zijn participatief van karakter. Dat betekent dat de level of involvement van de deelnemers hoog is, en daarmee de prikkel om te leren. Ook spelen beide instrumenten in een context waarin mensen al samenwerken. Het gaat om een activiteit binnen een netwerk waarvan de deelnemers ook al op andere wijze met elkaar samenwerken en beslissingen nemen. Resumerend kunnen op basis van een vergelijking met spelsimulatie het een en ander gezegd worden over de metaforenaanpak. Het gaat om een instrument voor (het ondersteunen van) verandering. Het is een benadering met een hoog abstractieniveau waarbij de afstand tot de werksituatie groot is. Dit maakt de aanpak geschikt als middel tot motivatie en als ‘ijsbreker’. Drie doelstellingen die verband houden met spelsimulatie, te weten ‘bewustwording en motivatie’, ‘communicatie en samenwerking’ en ‘integratie van leerervaringen’, kunnen als vanzelfsprekend aan metaforenaanpak worden toegeschreven. Op het vlak van deze doelstellingen is metaforenaanpak van een andere, vrije aard dan spelsimulatie. De metaforenaanpak kan als vrijmakend gezien worden en is participatief van karakter, de principes van ‘modelbouw’ zijn van toepassing, Tweede wijze van plaatsbepaling Een tweede manier van plaatsbepaling is kijken in hoeverre metaforenaanpak te integreren valt in het ‘mentale modellen denken’. In het voorgaande zijn genoemd de deductie referentiesysteem abstractie implementatie model Figuur 5.4, modelcyclus
  • 30. Fase 1, literatuuronderzoek 30 vorming van een model (bij spelsimulatie) en analoog daaraan de vorming van een metaforisch toekomstbeeld (bij metaforenaanpak). Op het niveau van het individu sluit dit aan bij de tegenwoordig zeer populaire benoeming van mentale modellen. Immers, menselijk kennen kan ook gezien worden als hebbende een modelkarakter. Allereerst een verkenning (Senge, De Caluwé/Geurts, Homan) van wat met ‘mentale modellen’ bedoeld wordt. Senge (1990) schrijft over mentale modellen het volgende. ‘Mentale modellen zijn diepgewortelde veronderstellingen, generalisaties, plaatjes of beelden die van invloed zijn op hoe wij dingen zien en hoe wij erop reageren. […] De discipline van het werken met mentale modellen begint met het in eigen boezem kijken; we moeten leren onze eigen onbewuste beelden bloot te leggen en kritisch te onderzoeken.’ De Caluwé en Geurts (2001) beschrijven mentale modellen als individuele voorstellingen die mensen vaak onbewust van de werkelijkheid maken. Mentale modellen worden ook wel impliciete modellen genoemd; zij zijn impliciet omdat ze zich in het hoofd van een individu bevinden en niet zomaar beschikbaar zijn voor begrip door anderen. ‘Mensen maken vereenvoudigde voorstellingen van de wereld waarin zij leven om zich ten opzichte van die wereld te verhouden.’ Homan (Teamleren, 2001) benoemt mentale modellen ook als opgeslagen plaatjes over de wereld opdat het individu niet steeds de wereld opnieuw hoeft te snappen. ‘Gesnapt’ wordt opgeslagen en indien nodig bijgesteld. ‘Trial and error’ is het proces waarmee modelverrijking tot stand komt. Over toepassingen van het mentale modellen denken valt het een en ander op te merken. De Geus (1988) heeft het over mentale modellen in relatie tot organisatieleren. Hij beschrijft ‘institutional learning’ als ‘the process whereby management teams change their shared mental model of the company, their markets, and their competitors.’ Daarmee benoemt hij naast het individuele, impliciete mentale model ook het gedeelde institutionele mentale model. De snelheid waarmee dat institutionele mentale model zich aangepast aan de turbulente bedrijfsomgeving is bepalend voor het succes van de onderneming. Over hoe het zit met de verhouding individuele versus gedeelde mentale modellen schrijft hij de volgende (prachtige) woorden. ‘When people play with models this way, they are actually creating a new language among themselves that expresses the knowledge they have acquired. And here we come to the most important aspect of institutional learning, whether it be achieved through teaching or through play as we have defined it: the institutional learning process is a process of language development. As the implicit knowledge of each learner becomes explicit, his or her mental model becomes a building block of the institutional model.’ (Arie de Geus, 1988) Dus, als individuele impliciete kennis (op te vatten als het individuele mentale model) expliciet gemaakt wordt, fungeert deze als bouwsteen voor het gedeelde mentale model. En het belangrijke proces dat daarvoor nodig is is dat van taalontwikkeling; de ontwikkeling van taal die de actuele kennis van individuen uitdrukt. En ondernemingen die vlug en adekwaat tot dat taalproces in staat zijn beschikken over een concurrentievoordeel. De Calué en Geurts (2001) noemen mentale modellen onder meer flexibel, veranderbaar, creatief, adaptief. Maar tegelijkertijd ook moeilijk overdraagbaar, moeilijk manipuleerbaar, niet toereikend voor het goed begrijpen van complexe
  • 31. Fase 1, literatuuronderzoek 31 problemen, moeilijk om te delen en om uit dat delen conclusies te trekken. Zij merken zij op dat mentale modellen een belangrijk gegeven vormen waarop organisatieverandering zich moet richten. De reden daarvoor is dat mensen in een organisatie relevante kennis (ervaringskennis, tacit knowledge) hebben waarvan het van groot belang is dat deze gekend wordt in het veranderingsproces. De mentale modellen van betrokkenen moeten gedeeld en (indien mogelijk) op elkaar afgestemd worden. Swieringa en Wierdsma (1990) onderschrijven dat leren gezien kan worden als het uitwisselen van mentale modellen. Zij zeggen dat een essentiële voorwaarde voor organisatieleren is: ‘het onderling uitwisselen en aanvullen van de beelden die men heeft over het werkproces, het handelen van elkaar en zichzelf’. ‘Een belangrijk deel van de organisatie zit namelijk in de hoofden van de mensen. En het zijn de in die hoofden opgeslagen beelden over de werkelijkheid die het gedrag bepalen.’ Homan (2001) erkent dat bij zowel individuen als bij groepen er sprake is van mentale modellen. Hij stelt eveneens dat leren opgevat kan worden als een cognitieve activiteit die behelst het meer of minder fundamenteel aanpassen van mentale modellen. Hij merkt op dat mentale modellen betrekkelijk ‘vast’ (in de zin van onveranderlijk) zijn. Ze dienen immers om betekenis te geven aan eindeloze bewustzijnsstromen. Veronderstelt wordt dat (individuele) mentale modellen hooguit marginaal worden aangepast; bepaald anders dan het fundamenteel herzien ervan. Wezenlijk is zijn opmerking dat mentale modellen fungeren als stabiliserende systemen. Hij benoemt verder de (mogelijke) rol van emotie bij het veranderen en aanpassen van mentale modellen. Emotie blijkt in sommige gevallen een belangrijke rol te spelen bij ontwikkeling en aanpassing van mentale modellen. Niet helemaal duidelijk is of de hier bedoelde emotie in de betekenis van (the pain of) crisis opgevat moet worden. Van Homan’s gedachten over het veranderen van mentale modellen is vooral die interessant waarbij de mentale modellen niet het aangrijpingspunt van de verandering zijn. Hij heeft het in dit verband over het langdurig onderdompelen (van een groep, het gaat om een teamleer-interventie) in grote hoeveelheden informatie. Dit blijkt een sterk destabiliserend effect te hebben op de bestaande mentale modellen van zowel individu als team. Er is bij een dergelijke interventie dan ook meer sprake van het transformeren dan van het aanpassen van mentale modellen. Resumerend kan over mentale modellen het een en ander gezegd worden. Een relativerende opmerking komt van Homan (2001) die zegt dat de theorie over mentale modellen ook maar een mentaal model is. Tegelijkertijd is het ‘mentale modellen denken’ in literatuur over team- en organisatieleren gemeengoed en zijn veel interventies binnen organisaties gericht op aanpassing van mentale modellen. Processen van ‘leren’ worden ondersteund als betrokkenen mentale modellen delen en op elkaar afstemmen. Arie de Geus heeft het over ‘playing’ en ‘exercising’ als goede oefeningen om impliciete mentale modellen expliciet en daarmee tot bouwstenen van een gemeenschappelijk mentaal model te maken. Teneinde daarmee een proces van gezamenlijke taalontwikkeling te stimuleren. Homan erkent dat verandering erop gericht kan zijn mentale modellen aan te passen. Hij plaatst daarbij de opmerking dat mentale modellen een stabiliserende werking hebben en in sommige gevallen wel en in sommige gevallen niet eenvoudig aan te passen zijn. 5.2.5 Thema ‘veranderingsprocessen’ (changemanagement) In deze paragraaf wordt een korte beschouwing gegeven over het onderwerp Changemanagement, het managen van veranderingsprocessen, en het gedrag van mensen daarbij.
  • 32. Fase 1, literatuuronderzoek 32 Een groot aantal mensen zijn net als de mossel, die maar een existentiële levensvraag kent : waar zal ik mij aan vastkleven ? Heeft de mossel dat besluit eenmaal genomen, dan brengt hij de rest van zijn leven door met zijn kop tegen een rots geplakt. Kets de Vries, Mentaliteitsverandering in organisaties (1997) Verschillende invalshoeken bij veranderen Kets de Vries (Vries, 1997) stelt dat ervaringen met overdreven, onrealistische beloften van ‘change agents’ over de mate van verandering die mogelijk is bij interventie in de organisatie, pijnlijk duidelijk hebben gemaakt dat voor oversimplistische modellen van menselijk gedrag een prijs betaald wordt. Veel aanbevelingen van veranderexperts bleken lapmiddelen te zijn, zonder blijvend effect. De aanbevelingen om een veranderingsproces in gang te zetten – op basis van al te simplistische modellen van menselijk gedrag die geen aandacht schenken aan diepgewortelde processen – waren tamelijk oppervlakkig. Jaap Boonstra vermeldt in zijn oratie (Boonstra, 2000) dat circa 70% van de geplande veranderingsprocessen mislukken. Deze processen lopen vroegtijdig vast of realiseren niet het beoogde doel. Deze gegevens zijn gebaseerd op analyse van casebeschrijvingen die zijn opgesteld door 210 deelnemers aan postdoctorale leergangen over management van verandering en op een meer recent uitgevoerd survey-onderzoek bij 392 respondenten in 93 Nederlandse organisatie (Bennebroek Gravenhorst, Werkman, Boonstra, 1999). Het mislukken van veranderingsprocessen ligt vooral in de aanpak van de veranderingen en het handelen van actoren. Het is daarom zinvol om de verschillende invalshoeken bij veranderen nader te bekijken. In onderstaand schema positioneren we deze invalshoeken langs twee dimensies: op de as ‘planned – spontaneous’ en op de as ‘monovocal – polyvocal’. De eerste dimensie geeft aan of een verandering vanuit de organisatie (management, staf) geinitieerd wordt, of dat de verandering spontaan optreedt. De tweede dimensie geeft aan of een verandering vanuit een vast paradigma (een set van betekenissen) bekeken wordt, of vanuit meerdere paradigma’s. Deze indeling ontlenen we aan het college van Thijs Homan over Changemanagement. Mono-vocal Planned Klassieke geplande verandering Lokale betekenisgeving Spontaneous Infrastructuren voor leren Organisatieverandering Poly-vocal Lokale betekenisgeving en organisatieverandering zijn invalshoeken waarbij de verandering vanuit de organisatie ontstaat en niet wordt gestuurd. Bij deze invalshoeken onderkennen we dus ook geen onderliggende technieken of methodes. Het verschil in beide invalshoeken ligt in het feit of de verandering vanuit een vast paradigma ontstaat, of dat er ruimte is voor meerdere paradigma’s. De klassieke geplande verandering wordt door een kleine groep (management, staf) verzonnen, gepland en geïmplementeerd met als doel een grote groep te veranderen. Het gedachtegoed van de kleine groep moet worden overgebracht naar de grote groep. De weerstand tegen verandering moet ‘overwonnen’ worden. De
  • 33. Fase 1, literatuuronderzoek 33 verandering wordt gemanaged en beheerst en gecontroleerd. Voorbeelden hiervan zijn programma’s als ISO9000, Balanced Scorecard en TQM (McNamara, 2004). Organisaties proberen de dynamiek in hun omgeving te ordenen en te beheersen en veranderingen planmatig te sturen (Boonstra, 2000). Om dit te realiseren volgen leiders en adviseurs een rationele aanpak: ze analyseren de omgeving, formuleren doelstellingen, ontwikkelen een strategie en implementeren de verandering. Achter deze aanpak zit de vooronderstelling dat een organisatie zich in een stabiele evenwichtssituatie bevindt en dat er evenwicht moet zijn in de relatie tussen organisatie en omgeving. Het gaat om een relatief geordende aanpak. Ordening verlangt de kunst van het voorspellen en beheersen van de ontwikkelingen. Om te voorspellen moet er zicht zijn op de relatie tussen oorzaak en gevolg over een langere periode. Deze aanpak kan zinvol zijn in stabiele en voorspelbare situaties waarin de problemen eenduidig zijn. Het gaat dan om eerste orde veranderingen waarin bekende problemen binnen een bestaande context worden opgelost. Verbeteringen kunnen worden gerealiseerd door technische oplossingen en structurele ingrepen. De adviseur speelt hierbij een rol als expert die met zijn kennis doelgericht werkt aan het realiseren van verbeteringen. Het is een bruikbare aanpak bij goed definieerbare problemen die weinig complex zijn en waarbij weinig partijen betrokken zijn. Bij infrastructuren voor leren (Boonstra spreekt over de ontwikkelingsaanpak) wordt hard gestuurd op het proces, maar zacht op de inhoud. Het gaat daarbij om het faciliteren van generatieve conversaties. Er wordt gebruik gemaakt van kennis en ervaring die bij de mensen in de organisatie aanwezig is. Deze aanpak is toepasbaar in situaties waarin problematieken nog niet helder zijn, waar er meerdere perspectieven bestaan op problemen en oplossingen, en de koers van de verandering nog niet geheel duidelijk is. Het gaat hier veelal om tweede orde veranderingen, de organisatie verandert van een bekende ongewenste situatie naar een nieuwe gewenste situatie. Voor deze aanpak komen steeds meer technieken en sociale architecturen op de markt. Voorbeelden hiervan zijn de Soft Systems Methodology, Systems Dynamics en scenariotechnieken. De metaforenaanpak zoals die in dit onderzoek wordt bekeken, valt ook in deze categorie te positioneren. Het gedrag van mensen bij veranderingen In 1997 schrijft Kets de Vries (Vries, 1997) dat om een organisatie te veranderen, individuele personen veranderd moeten worden. Inzichten rond persoonlijkheidsontwikkeling bevatten daarom waardevolle lessen voor veranderingsmanagement. De Vries zegt verder dat rationaliteit zonder gevoel geen verandering creëert. Het is nodig emotionele betrokkenheid te cultiveren en zo enthousiasme te mobiliseren die het veranderingsproces ondersteunt. Er zijn een drietal noodzakelijke voorwaarden voor persoonlijke verandering. Deze voorwaarden kunnen ook vertaald worden naar organisatieniveau en zo richting geven aan het veranderingsproces. Deze voorwaarden zijn:  Kristallisatie van ontevredenheid;  Er moet een focusgebeurtenis optreden, de spreekwoordelijke druppel die de emmer doet overlopen;  De openlijke intentieverklaring tot verandering. Als een persoon voldoet aan de drie voorwaarden, dan treedt een proces in werking dat uit drie fasen bestaat:  Shock, het individu is er niet op voorbereid bewust te erkennen dat er iets mis is;  Ongeloof en ontkenning;  Loslaten van oude denkpatronen, gevoelens en gedrag;  Realiseren nieuwe identiteit.
  • 34. Fase 1, literatuuronderzoek 34 Reflectie en benutten van kennis Veranderen is een relevant vak voor managers, medewerkers en adviseurs. Het is ook lastige materie. Professionaliteit lijkt het beste te borgen via continue reflectie en het benutten van gestapelde kennis. Hiertoe heeft Hans Vermaak in het artikel ‘Veranderkunde in zeven vragen’ (Vermaak, 2002) een aantal vragen en corresponderende richtingaanwijzers uitgewerkt. Kort samengevat zien deze vragen er als volgt uit: 1. Waarom is veranderen moeilijk? Deze vraag is bedoeld om tegenwicht te bieden tegen het ‘standaard’ receptdenken. Om meer inzicht te zoeken in de onderbuik van veranderingsprocessen. De richtingaanwijzer die bij deze vraag hoort, is het verzamelen van concepten over de schijnbare irrationaliteit van veranderingsprocessen. Een twaalftal concepten die over deze materie handelen zijn beschreven in de volgende paragraaf. 2. Wat is veranderen eigenlijk? Door het stellen van deze vraag komen overtuigingen over veranderen boven tafel. Het is een ‘taalspel’ bedoeld om de zienswijzen van gesprekspartners uit te wisselen. 3. Wat zijn vaste bestandsdelen van verandertrajecten? Deze vraag geeft een methodisch kader, een landkaart bij het ontwerpen van veranderingen waardoor er minder snel een incomplete en onsamenhangend veranderproces wordt gestart. 4. Hoe ontwerp je een kansrijk verandertraject? De aandacht ligt vaak meer op het uitwerken en implementeren van veranderplannen en minder op het zoeken naar en testen van de werkbare principes die eraan ten grondslag liggen. 5. Wat voor instrumentarium hebben we tot onze beschikking? De vraag is bedoeld om te zorgen dat de ervaring niet de ‘gevangenis’ wordt. 6. Met welk gedrag help je deze verandering verder? De richtingaanwijzer bij deze vraag is een situationeel overzicht van gewenste competenties voor een veranderaar. 7. Waar zit ik mezelf in de weg? De gedachte is dat het niet te voorkomen is dat veranderaars tegen persoonlijke dilemma’s aanlopen in het vak, maar dat bewustzijn en acceptatie kan helpen om er niet in gevangen te raken. 5.2.6 Thema ‘veranderingsprocessen’ (complicerende theorieën) Le cœur a ses raisons que la raison ne connaît point; on le sait en mille choses. (Het hart kent redenen die de rede niet kent, je weet het uit duizend dingen.) Blaise Pascal, Pensées (ca. 1640) Mensen brengen hun hoofd en hart mee, niet alleen hun handen. Léon de Caluwé, Hans Vermaak, Leren veranderen (1999) In het boek ‘Leren veranderen’ (1999) beschrijven Leon de Caluwé en Hans Vermaak enkele theorieën die verklaren waarom veranderen gecompliceerd is. Het gaat om twaalf theorieën, die hieronder kort worden besproken. Deze concepten geven inzicht in de schijnbare irrationaliteit van veranderingsprocessen. Ambiguiteiten in organisaties Karl E. Weick beschrijft in zijn artikel ‘Educational organizations as loosely coupled systems’ (1976) hoe dubbelzinnig veel organisaties zijn. Die dubbelzinnigheden zijn te herkennen op een aantal punten:

Related Documents