Landelijk Kader Nederlandse Politie 2003-2006
De partijen,
1) a) de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrel...
b) De regionale convenanten bevatten de resultaatafspraken en de bijbehorende indicatoren uit het landelijk kader, waarb...
Artikel 5: Verplichtingen van de ministers
a) De ministers spannen zich maximaal in v...
Artikel 8: Budgetrecht Staten-Generaal
De in artikel 5 genoemde verplichtingen van de m...
Korpsbeheerder Noord-Holland-Noord Korpsbeheerder Zaanstreek-Waterland
Korpsbeheerder Kennemerland ...
Toelichting
In het programma ‘Naar een veiliger samenleving’ (het ‘Veiligheidsprogramma’) heeft het kabinet een overzicht...
waaronder capaciteitsmanagement, is het mogelijk om de beschikbare capaciteit in het primaire proces te vergroten ten beho...
het budgetverdeelsysteem (verder: BVS) te actualiseren, behoudens gemeentelijke herindelingen. Het was oorspronkelijk de
b...
Bijlage
A. Toelichting op de resultaatafspraken politie
Ad artikel 3, sub a
Hoofddoelstelling Veiligheidsprogram...
doorlooptijden van verschillende soorten rechtshulpverzoeken (politieel/justitieel, met/zonder dwangmiddelen) alsmede in d...
substantiële verbetering wordt het bereiken van de door het korps behaalde hoogste waarde uit de periode 1993 tot en met 2...
Indicator(en):
Het percentage respondenten dat tevreden of zeer tevreden is over politieoptreden bij het laatste conta...
Resultaatafspra(a)k(en):
I. De korpsen zorgen er gezamenlijk voor dat het totale landelijke ziekteverzuimpercentage (wa...
capaciteit van de IFT’s (Interregionale fraudeteams). Uiterlijk op 1 januari 2004 zijn de zes bovenregionale rechercheteam...
of 14

Prestatiecontract politie

Published on: Mar 4, 2016
Source: www.slideshare.net


Transcripts - Prestatiecontract politie

  • 1. Landelijk Kader Nederlandse Politie 2003-2006 De partijen, 1) a) de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), de heer J.W. Remkes; b. de minister van Justitie, de heer mr. J.P.H. Donner; hierna te noemen ‘de ministers’; en: 2) de korpsbeheerders van de vijfentwintig regionale politiekorpsen en het Korps landelijke politiediensten (KLPD); hierna te noemen ‘de korpsbeheerders’; overwegende: • dat het kabinet heeft aangegeven op basis van het Veiligheidsprogramma met de afzonderlijke partners in de veiligheidsketen concrete en consistente afspraken te maken over de te leveren bijdrage, met een aanduiding van termijnen waarbinnen die af- spraken dienen te zijn gerealiseerd en deze afspraken met de afzonderlijke partijen in een convenant of anderszins wil vastleg- gen, en dat dit Landelijk Kader Nederlandse Politie voor wat betreft zijn werking en de te realiseren operationele resultaten moet worden bezien in samenhang met convenanten of afspraken met andere partijen; • dat de inspanningen van het kabinet en van alle ketenpartners gezamenlijk, ook op het gebied van preventie, moeten leiden tot een veiliger samenleving; • dat in het Veiligheidsprogramma de hoofdzaken van het beleid op rijksniveau met betrekking tot de politie en de landelijke beleidsthema’s voor de politie in de eerstkomende vier jaar zoals bedoeld in artikel 43a Politiewet, zijn aangegeven; • dat het kabinet op basis van het Veiligheidsprogramma en in aansluiting op dit kader ten aanzien van de politie wil komen tot resultaatafspraken per regio, vast te leggen in een regionaal convenant tussen de beide ministers en de korpsbeheerder van die regio op uiterlijk 1 juli 2003; verklaren het volgende te zijn overeengekomen: Artikel 1: Definities In dit document wordt verstaan onder: a) het Veiligheidsprogramma: het programma ‘Naar een veiliger samenleving’ zoals aangeboden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal door de minister van Justitie, de minister van BZK en de staatssecretaris van BZK bij brief nr. EA2002/91369, d.d. 16 oktober 2002 (Kamerstuk II 2002-2003, 28684, nr. 1). b) het Landelijk Kader Nederlandse Politie: dit document, inclusief de toelichting en de bijlage, dat kaderstellend is voor de te sluiten regionale convenanten, hierna te noemen: landelijk kader. c) het regionaal convenant politie: een convenant per korps, zoals bedoeld in het Veiligheidsprogramma, waarin de tussen de minister van BZK en de minister van Justitie enerzijds en de korpsbeheerder van een regionaal politiekorps anderzijds gemaakte afspraken inzake de te behalen resul- taten en de daarvoor noodzakelijke randvoorwaarden zijn vastgelegd. Onder regionaal convenant wordt mede verstaan het convenant met het KLPD onderscheidenlijk het convenant met het LSOP. De afspraken in dit landelijk kader met betrekking tot de regionale convenanten zijn van zo veel mogelijk overeenkomstige toe- passing op het convenant met het KLPD onderscheidenlijk het convenant met het LSOP. Artikel 2: Relatie met regionale convenanten a) Het landelijk kader vormt voor de geldende periode het kader voor de te sluiten regionale convenanten politie tussen enerzijds de beide ministers en anderzijds de korpsbeheerder van de betreffende regio. Een korpsbeheerder sluit een regionaal convenant politie na verkregen instemming van de betreffende hoofdofficier van Justitie en het betreffende regionale college. Uiteraard onverlet latende de formele bevoegdheden. In de lijn van deze convenanten worden tevens afzonderlijke convenanten gesloten met het KLPD en het LSOP. Aansluitend bij het specifieke karakter van het KLPD en het LSOP kunnen in de betreffende af- zonderlijke convenanten aanvullende afspraken worden vastgelegd. Indien dit leidt tot nieuw regionaal beleid, zal dit, de korp- sen gehoord hebbend, worden vastgesteld en vice versa. /DQGHOLMN FRQYHQDQW YHUVLH IHEUXDUL XXU
  • 2. b) De regionale convenanten bevatten de resultaatafspraken en de bijbehorende indicatoren uit het landelijk kader, waarbij de normeringen (de streefwaarden van de indicatoren) uit het landelijk kader worden aangepast aan de regionale situatie. Tevens wordt per resultaatafspraak de nulwaarde aangegeven. c) De resultaatafspraken uit de regionale convenanten leiden tezamen minimaal tot het realiseren van de landelijke resultaatafspra- ken. d) Het staat de partijen vrij om in de betreffende af te sluiten regionale convenanten aanvullende (resultaat)afspraken op te nemen. Artikel 3: Verplichtingen van de korpsbeheerders De korpsbeheerders verplichten zich alle nodige maatregelen te treffen die leiden tot het totstandkomen van regionale convenanten per korps, die opgeteld leiden tot het realiseren van de volgende resultaatafspraken, nader toegelicht in bijlage onder A.: a) I) De korpsen dragen er gezamenlijk zorg voor dat het aantal aan het Openbaar Ministerie (OM) ter afdoening aangeboden zaken ‘met een bekende dader’ toeneemt zodat het aantal verdachten waarvan een proces-verbaal wordt aangeboden aan het OM (“rechtbankzaken”) over het jaar 2006 is gestegen met 40.000 ten opzichte van het aantal in 2002. II) Ieder korps stelt jaarlijks een overzicht op van (jeugdige) veelplegers en/of harde-kernjongeren. Met de ketenpartners wor- den op basis hiervan afspraken gemaakt welk deel van de op dit overzicht voorkomende (jeugdige) veelplegers en/of harde- kernjongeren jaarlijks kan worden aangepakt. Wat betreft de doorlooptijden van door deze (jeugdige) veelplegers en harde- kernjongeren gepleegde misdrijven, geldt –in het perspectief van de doorlooptijden in de andere onderdelen van de keten- als uitgangspunt dat 80% van de processen-verbaal daarvan, binnen 30 dagen na het eerste verhoor van de verdachte door de poli- tie aan het OM wordt aangeboden. b) De korpsen dragen er zorg voor dat het percentage aan de korpsen ter afhandeling uitgegeven rechtshulpverzoeken dat tijdig is afgehandeld volgens de normen voor de wijze van afdoening en de afdoeningstermijnen, ultimo 2006 is gestegen. De te berei- ken waarde in 2006 zal in de loop van 2003 door de partijen worden vastgesteld. c) De korpsen dragen gezamenlijk zorg voor een intensivering van het operationeel vreemdelingentoezicht. Er vindt monitoring plaats van deze intensivering aan de hand van het aantal staandehoudingen (op grond van artikel 50, lid 1, van de Vreemdelin- genwet 2000) en, mede in het verlengde hiervan, van het aantal (criminele) illegale vreemdelingen dat in bewaring wordt ge- steld, waarbij de uitkomsten worden bezien in relatie tot de rest van de keten. Voor 1 januari 2004 zullen de partijen komen tot een nadere precisering. d) Met ieder afzonderlijk korps worden in het regionale convenant afspraken gemaakt over de in 2006 minimaal te bereiken score betreffende telefonische bereikbaarheid via het Landelijk Telefoonnummer Politie (LTP), over de kwaliteit van de dienstverle- ning in verband met de LTP en over de telefonische bereikbaarheid via het alarmnummer 1-1-2, alsmede over het in 2006 berei- ken van een substantiële verbetering van de schaalscore ‘beschikbaarheid’ uit de Politiemonitor bevolking (PMB). Onder een substantiële verbetering wordt het bereiken van de door het korps behaalde hoogste waarde uit de periode 1993 tot en met 2002 verstaan. Hiermee wordt ook op landelijk niveau de hoogste waarde uit de periode van 1993 tot en met 2002 bereikt. e) Met ieder afzonderlijk korps wordt in het regionaal convenant een afspraak gemaakt over het in 2006 bereiken van een substantiële verbetering van het percentage van de bevolking dat zegt “(zeer) tevreden” te zijn over het laatste politiecontact. Onder een substantiële verbetering wordt verstaan het bereiken van de hoogste waarde uit de periode 1993 tot en met 2002. Hiermee wordt ook op landelijk niveau de hoogste waarde uit de periode van 1993 tot en met 2002 bereikt. f) De korpsen zorgen er gezamenlijk voor dat het aantal uit staandehoudingen voortgekomen boetes en transacties over het jaar 2006 is toegenomen met minimaal 180.000 ten opzichte van het aantal over het jaar 2002. g) I) De korpsen zorgen er gezamenlijk voor dat het totale landelijke ziekteverzuimpercentage (waarin het ziekteverzuim korter en langer dan één jaar is opgenomen) over het jaar 2006 maximaal 8% bedraagt. In het regionale convenant worden per korps afspraken gemaakt over het ziekteverzuimpercentage. II) Met ieder afzonderlijk korps wordt in het regionale convenant een afspraak gemaakt om in de periode 2002-2006 te komen tot een doelmatigheidsverbetering van minimaal 5% van de feitelijke sterkte per 31 december 2002 (met inbegrip van het te- rugdringen van het ziekteverzuim) ten behoeve van het primaire proces. Ieder korps stelt daartoe een plan van aanpak op waar- in samenhangende maatregelen (waaronder de optimalisatie van capaciteitsmanagement) worden weergegeven die, samen met de maatregelen ten behoeve van de terugdringing van het ziekteverzuim, deze doelmatigheidsverbetering realiseren. III) Korpsen die in 2006 een ziekteverzuimpercentage hebben dat lager is dan het landelijk gemiddelde streefcijfer van 8%, mogen het verschil tussen het landelijk gemiddelde streefcijfer en het ziekteverzuimpercentage van dit korps, in mindering brengen op de doelmatigheidsdoelstelling van 5% h) De korpsen (inclusief het KLPD) dragen in samenwerking met het LSOP zorg voor een uitbreiding van de personele sterkte van de Nederlandse politie met, bij overigens gelijkblijvend beleid, minimaal 4.000 fte (full time equivalent) inclusief de reeds in 2001 toegekende sterkte-uitbreiding van 1000 fte, zoals beschreven in de brief van de minister van BZK aan de Tweede Ka- mer van 14 november 2002. De sterkte komt daarmee uit op ca. 54.500 fte in 2010. Artikel 4: Prestatiebekostiging De systematiek van prestatiebekostiging, zoals in 2001 overeengekomen tussen de minister van BZK en het Korpsbeheerdersberaad, zal worden gehanteerd voor de op basis van dit kader gemaakte resultaatafspraken. Van het voor de korpsen beschikbare budget wordt 75% uitgekeerd aan de korpsen die de gemaakte afspraken nakomen. Over de wijze waarop de 25% die beschikbaar is voor benchmarking, wordt uitgekeerd, wordt tussen de partijen nader overleg gevoerd. /DQGHOLMN FRQYHQDQW YHUVLH IHEUXDUL XXU
  • 3. Artikel 5: Verplichtingen van de ministers a) De ministers spannen zich maximaal in voor een voortvarende totstandkoming van alle in het Veiligheidsprogramma aangege- ven (wijzigingen van) wet- en regelgeving. Zij stellen daartoe de benodigde wetsvoorstellen op en bevorderen aanbieding daar- van aan de Tweede Kamer. b) Voor de uitvoering van de maatregelen uit het Veiligheidsprogramma zijn door de minister van BZK extra middelen beschik- baar gesteld aan de regionale politiekorpsen, het KLPD en het LSOP (zie circulaire nr. EA2002/92243, d.d. 27 november 2002). Voor sterkte-uitbreiding is een bedrag oplopend tot circa ¼ PLOMRHQ LQ WRHJHNHQG 9RRU YHUGHUH NZDOLWHLWVYHr- betering van de politie is een verdere verhoging van de normvergoeding toegekend oplopend naar ¼ SHU EYH LQ c) De korpsen wijzen erop dat de kosten van alle noodzakelijke maatregelen op het gebied van kwaliteitsverbetering bij de politie in het rapport ‘Kosten regionale politiekorpsen’ van het organisatieadviesbureau Deloitte Touche (mei 2002) zijn berekend op een bedrag oplopend tot ¼ SHU IWH ZDDUYDQ ¼ EHWUHNNLQJ KHHIW RS GH SHUVRQHHOVFRPSRQHQW 'H]H ODDWVWH FRPSo- nent is in de decembercirculaire gedekt door de (tijdelijke) vrije ruimte in de extra bve’s voor sterktegroei. De omvang van de- ze vrije ruimte is verschillend per korps en is ook tijdelijk. De minister van BZK zal zich inspannen voor afdoende financiering van deze kosten op langere termijn. Zolang de verhoging van de normvergoeding zich niet op het niveau van het in het rapport becijferde bedrag van ¼ SHU IWH EHYLQGW EHVWDDW YROJHQV GH NRUSVEHKHHUGHUV KHW ULVLFR GDW DOV JHYROJ YDQ GH RQWRHUHi- kendheid van de financiële middelen noodzakelijke maatregelen en ontwikkelingen in de materiële sfeer, in het bijzonder ten aanzien van ICT, niet gerealiseerd kunnen worden. Bij het vaststellen van de ratio’s voor personeelslasten en solvabiliteit (zie ook onderdeel B punt 6 van de bijlage) zal met dit risico rekening worden gehouden. d) Om ongewenste herschikking van middelen en –indirect– de sterkte te voorkomen zal gedurende de looptijd van dit kader, behoudens gemeentelijke herindelingen, geen actualisatie van het budgetverdeelsysteem (BVS) plaatsvinden. Met korpsen, waarbij het niet doorvoeren van de actualisatie onverhoopt tot knelpunten leidt, zoals bijvoorbeeld Flevoland en Utrecht, zullen in het kader van het regionale convenant met de desbetreffende korpsen nadere afspraken worden gemaakt. Voor 1 januari 2005 zal een evaluatie van het BVS worden uitgevoerd. Artikel 6: Landelijke beleid- en beheercyclus a) De landelijke beleid- en beheercyclus wordt als volgt ingericht: I) De afspraken uit het regionale convenant vormen het hoofdbestanddeel van de beleid- en beheercyclus. Over de uitvoering hiervan wordt gerapporteerd in het regionaal jaarverslag. De verplichting om de jaar(beleids)plannen in te dienen bij de mi- nisters van BZK en van Justitie vervalt per 1 januari 2003. De hierop betrekking hebbende wet- en regelgeving zal worden aangepast. II) In de beleid- en beheercyclus komen daarnaast onderwerpen aan de orde die daarin moeten zijn opgenomen ingevolge be- staande wet- en regelgeving. In de bijlage bij dit kader is een opsomming gegeven van de beheeronderwerpen die geduren- de de looptijd van dit kader gericht zullen worden gevolgd door de minister van BZK. III) In het kader van de beleid- en beheercyclus vindt jaarlijkse rapportage plaats via de gebruikelijke stukken, te weten begro- ting, jaarverslag en jaarrekening. De validiteit van de gegevens moet op adequate wijze zijn geborgd in de korpsen. Daar- over worden in het informatiestatuut genoemd onder lid b van dit artikel nadere afspraken opgenomen. IV) Vanaf 2003 is 1 april de uiterste datum voor indiening van de jaarrekeningen en jaarverslagen. V) Eenmaal per twee jaar vindt over de bereikte resultaten en de specifieke beheeronderwerpen, genoemd in bijlage onder B., een gesprek plaats tussen de afzonderlijke korpsbeheerders en de ministers. Indien daartoe aanleiding bestaat, kunnen beide partijen het initiatief nemen tot tussentijds overleg. b) Om te komen tot een nadere stroomlijning van de informatievraag Rijk-regio wordt door de minister van BZK en de korpsen gezamenlijk een informatiestatuut opgesteld. Intentie daarbij is dat aan de informatievraag wordt voldaan met behulp van reeds beschikbare en via GIDS te ontsluiten bronnen. In 2003 vindt een inventarisatie plaats van alle thans bestaande informatiestro- men en rapportageverplichtingen en wordt besloten welke daarvan kunnen worden afgeschaft. Tevens worden afspraken ge- maakt over de verdere verbetering van de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de informatie(huishouding) en over de daarvoor eventueel noodzakelijke vertaling naar informatie- en communicatietechnologie (ICT). Artikel 7: Bijstelling gedurende de looptijd a) Dit landelijk kader kan worden gewijzigd indien alle partijen hiermee instemmen. Iedere deelnemende partij kan daartoe te allen tijde voorstellen doen. b) Tussentijdse aanpassing kan plaatsvinden in verband met afspraken die bij de formatie van een nieuw kabinet worden gemaakt. Tussentijdse aanpassing van de resultaatafspraken kan voorts onder meer plaatsvinden wanneer sprake is van onvoorziene ge- beurtenissen die een buitenproportionele politie-inzet vereisen.Van een buitenproportionele politie-inzet is in ieder geval sprake wanneer een korps in enig jaar meer dan 5% van de op jaarbasis beschikbare capaciteit heeft moeten aanwenden om te voldoen aan de verplichting tot het leveren van landelijke bijstand, conform de Politiewet 1993. Onder ‘capaciteit’ wordt in dit geval verstaan de feitelijk aanwezige bruto-capaciteit van medewerkers in een executieve rang in de schalen 6 tot en met 8. c) Jaarlijks vindt een voortgangsgesprek plaats tussen de ministers en de korpsbeheerders gezamenlijk om na te gaan of het landelijk kader aanpassing behoeft. Hierin wordt betrokken de mate waarin en de wijze waarop de met de overige ketenpartners afgesproken resultaten worden gerealiseerd en in hoeverre dit bijdraagt aan het vergroten van de veiligheid. Tevens komen eventueel gebleken knelpunten in de onderlinge samenwerking en afstemming aan de orde. /DQGHOLMN FRQYHQDQW YHUVLH IHEUXDUL XXU
  • 4. Artikel 8: Budgetrecht Staten-Generaal De in artikel 5 genoemde verplichtingen van de ministers laten onverlet het budgetrecht van de Staten-Generaal. Artikel 9: Looptijd a) Dit landelijk kader wordt aangegaan voor de periode van 1 januari 2003 tot 1 januari 2007. b) De looptijd van de regionale convenanten en de convenanten met het KLPD en het LSOP is gelijk aan die van dit landelijk kader. Artikel 10: Publicatie Van dit landelijk kader wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Artikel 11: Citeertitel Dit landelijk kader wordt aangehaald als: ‘Landelijk Kader Nederlandse Politie 2003-2006’. Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties Minister van Justitie Korpsbeheerder Rotterdam-Rijnmond Korpsbeheerder Groningen Korpsbeheerder Friesland Korpsbeheerder Drenthe Korpsbeheerder IJsselland Korpsbeheerder Twente Korpsbeheerder Noord- en Oost-Gelderland Korpsbeheerder Gelderland-Midden Korpsbeheerder Gelderland-Zuid Korpsbeheerder Utrecht /DQGHOLMN FRQYHQDQW YHUVLH IHEUXDUL XXU
  • 5. Korpsbeheerder Noord-Holland-Noord Korpsbeheerder Zaanstreek-Waterland Korpsbeheerder Kennemerland Korpsbeheerder Amsterdam-Amstelland Korpsbeheerder Gooi- en Vechtstreek Korpsbeheerder Haaglanden Korpsbeheerder Hollands-Midden Korpsbeheerder Zuid-Holland-Zuid Korpsbeheerder Zeeland Korpsbeheerder Midden- en West-Brabant Korpsbeheerder Brabant-Noord Korpsbeheerder Brabant-Zuid-Oost Korpsbeheerder Limburg-Noord Korpsbeheerder Limburg-Zuid Korpsbeheerder Flevoland /DQGHOLMN FRQYHQDQW YHUVLH IHEUXDUL XXU
  • 6. Toelichting In het programma ‘Naar een veiliger samenleving’ (het ‘Veiligheidsprogramma’) heeft het kabinet een overzicht van maatregelen gegeven met het oog op een verhoogde inspanning bij de aanpak van criminaliteit en overlast in de publieke ruimte. Als belangrijkste prioriteiten is naast preventie gekozen voor het versterken van de opsporing en handhaving en van het zichtbaar toezicht en controle in de publieke ruimte. Bij de aanpak van criminaliteit en overlast staat een integrale benadering centraal. Het realiseren van de doelstellingen uit het Veiligheidsprogramma vergt inspanningen van alle betrokken partijen. Diverse maatregelen uit het Veilig- heidsprogramma kunnen zonder meer worden uitgewerkt en geïmplementeerd door de betrokken ketenpartners. In het Veiligheids- programma worden wat betreft de politie bijvoorbeeld genoemd: het loopbaanbeleid en de versterking van de professionaliteit van de recherche. Op basis van het Veiligheidsprogramma zullen met de afzonderlijke partners in de veiligheidsketen concrete en consistente afspraken worden gemaakt over de te leveren prestaties, met een aanduiding van termijnen waarbinnen die afspraken dienen te zijn gereali- seerd. Deze afspraken zijn of worden met de afzonderlijke partijen in een convenant of anderszins vastgelegd. Dit landelijk kader politie hangt in die zin samen met die convenanten of anderszins vastgelegde afspraken. Dit kader geeft invulling aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), de minister van Justitie, de politiekorpsen en het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie (LSOP) voor de kwaliteit van de politie(zorg) in Nederland. Tevens geeft dit kader invulling aan hun streven om gezamenlijk, vanuit hun onderscheiden verantwoordelijkheden, op landelijk niveau concrete en consistente afspraken te maken over de bijdragen van de politie aan het realiseren van de doelstellingen uit het Veiligheidsprogramma. De doelstellingen uit het Veiligheidsprogramma moeten resulteren in een vermindering van de criminaliteit en overlast in de publieke ruimte met - indicatief - circa 20% tot 25% vanaf 2006. Dit landelijke kader en de meerjarenvisie ‘Perspectief op 2006’ van het Openbaar Ministerie sluiten op elkaar aan. Dit landelijke kader is kaderstellend en biedt mede de basis voor afzonderlijke convenanten per regionaal politiekorps, waarin de ministers van BZK en van Justitie en de betrokken korpsbeheerder concrete resultaatafspraken maken. Ook worden afzonderlijke convenanten gesloten met het Korps landelijke politiediensten (KLPD) en het LSOP. Met het KLPD worden onder meer afspraken gemaakt over de vorming van de nationale recherche, die zal worden ondergebracht bij het KLPD en met het LSOP worden onder meer afspraken gemaakt over de opleidingscapaciteit (op basis van de opleidingsbehoefte die de korpsen in hun ‘personeelsarrange- menten’ bij de minister van BZK aangeven), de kenniscentrumfunctie van het LSOP en de invoering van het studentvolgsysteem. Het uitgangspunt voor de nadere uitwerking en concretisering van het landelijke kader in afzonderlijke convenanten is de specifieke situatie van ieder regionaal politiekorps, het KLPD en het LSOP. De ministers bewaken dat het totaal van de resultaatafspraken in de afzonderlijke convenanten ten minste gelijk is aan de landelijke resultaatafspraken in dit kader. Dit kader laat onverlet de verplichtingen van de partijen die voortvloeien uit wet- en regelgeving, verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, evenals verplichtingen van partijen die voortvloeien uit lopende afspraken, zoals het geldende ARBO- convenant 2001-2004 en de huidige CAO Politie. Dit convenant laat tevens onverlet de wettelijke bevoegdheden van de ministers van BZK en van Justitie. De voortgang van de uitvoering van landelijke en regionale resultaatafspraken met alle ketenpartners zullen centraal worden gemonitord. De uitkomsten zullen beschikbaar zijn voor alle ketenpartners. Artikel 3: Verplichtingen van de korpsbeheerders Artikel 3 bevat de resultaatafspraken, die nader zijn toegelicht in bijlage onder A.. De resultaatafspraken betreffen drie hoofdcatego- rieën: opsporing, toezicht en handhaving en doelmatigheid, en hangen met elkaar samen. In de komende jaren dient de opsporing te worden geïntensiveerd en de kwaliteit te worden verbeterd, met als oogmerk een betere beheersing van de criminaliteit. De intensivering dient tot uitdrukking te komen in een stijging van het aantal zaken dat wordt behandeld. Dit betreffen zowel oude als nieuwe zaken. Hierbij ligt het zwaartepunt bij delicten waarvan de burger veelvuldig en direct slachtoffer wordt, zoals (huiselijk) geweld, inbraken, berovingen, diefstal etc. Voor zover het misdrijven gepleegd door) veelplegers en/of harde-kernjongeren betreft geldt dat 80% van de processen-verbaal binnen 30 dagen na het eerste verhoor van de verdachte door de politie moet worden ingezonden. Met deze termijn van 30 dagen voor de veelplegers en/of harde kernjongeren wordt ervan uitgegaan dat de algemene termijn van 1,5 maand die het OM hanteert voor de indiening van zaken ruimschoots wordt gehaald. De verbetering van de opsporing strekt zich ook uit tot het ondersteunen van de opsporing in het buitenland door een adequate en tijdige reactie op rechtshulpverzoeken en de opsporing van (criminele) illegale vreemdelingen. De kern van de ambitie betreffende toezicht en handhaving is het herwinnen van het gezag in het publieke domein door intensiever toezicht, intensievere handhaving en een duidelijke normstelling. De achterliggende doelstelling is een verbetering van zowel de objectieve veiligheid als het (subjectieve) veiligheidsgevoel van de burger. Bij de intensivering van het toezicht richt de politie zich met name op de onveilige gebieden in de stad. Deze gebieden verschillen per regio, maar in algemene zin gaat het om locaties als stations, uitgaansgebieden, jeugdverzamelplaatsen en coffeeshops. Hierbij wordt speciale aandacht besteed aan risicojongeren, in die zin dat deze jongeren die dreigen af te glijden naar een criminele carrière, zo snel mogelijk door de politie worden doorverwezen naar het bureau Jeugdzorg (voor doorverwijzing naar hulpverleningsinstellingen) of de Raad van de Kinderbescherming (voor advies aan het OM). Een eerste voorwaarde voor de intensivering van toezicht en handhaving is dat de politie aanwezig is in het publieke domein, bereikbaar is voor burgers en zich richt op de problemen die burgers ervaren. In het Veiligheidsprogramma wordt tevens gesproken over de stijging van de zichtbaarheid, de bereikbaarheid en de publieksgerichtheid van de politie. Dit is met name gericht op de burger. Deze moet de komende jaren een aanzienlijke verbetering gaan merken. Dit wordt enerzijds gemeten bij de bereikbaarheid en de kwaliteit van het LTP en 1-1-2, en anderzijds bij de burger, wiens oordeel wordt gevraagd (in het kader van de PMB) over de beschikbaarheid van de politie op wijkniveau en de tevredenheid over het laatste contact met de politie. Voor het realiseren van de genoemde ambities is de beschikbaarheid van voldoende personele capaciteit de meest voor de hand liggende randvoorwaarde. Door het terugdringen van het ziekteverzuim en andere maatregelen die de doelmatigheid verbeteren, /DQGHOLMN FRQYHQDQW YHUVLH IHEUXDUL XXU
  • 7. waaronder capaciteitsmanagement, is het mogelijk om de beschikbare capaciteit in het primaire proces te vergroten ten behoeve van het realiseren van de doelstellingen. Het uitgangspunt van het project capaciteitsmanagement, dat in opdracht van de Raad van Hoofdcommissarissen (RHC) wordt uitgevoerd, is dat met dit project in 2006 landelijk een toename van de capaciteit van 3,5 à 4% ten opzichte van 2002 kan worden bereikt, die kan worden besteed aan het primaire proces (netto-tijd) kan worden gerealiseerd. Artikel 3, onder h, bevat een afspraak over de landelijke sterktegroei. Inzake de sterktedoelstelling zullen in principe geen kwantita- tieve regionale afspraken worden gemaakt. Dit met name in verband met mogelijke bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld regionale politiekorpsen die onder preventief toezicht staan. Wél zal de minister van BZK de landelijke voortgang inzake de sterktegroei nauwgezet volgen. In de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 14 november 2002, is onder meer het volgende opgemerkt met betrekking tot de sterkteontwikkeling: “Deze twee ontwikkelingen hebben een netto-effect op de te verwachten politiesterkte. Immers indien dit kabinet niet besloten zou hebben tot sterkteuitbreiding dan zou de politiesterkte met circa 1.350 fte (900 ivm asiel en 450 ivm Vreemdelingendienst naar de IND) dalen door het wegvallen van het budget voor (grotendeels) administratieve taken. Met andere woorden, zonder uitbreiding van de politie zou de sterkte van de politie dalen van 49.478 fte naar 48.128 fte. Echter, tegelijkertijd heeft het kabinet besloten een extra budget beschikbaar te stellen voor 4.000 fte, hetgeen gecombineerd resulteert in een beoogde eindsterkte in 2010 van 52.128 fte exclusief de functionele inzet van aspiranten. Betrekken wij hierbij echter ook de functionele inzet van aspi- ranten in het beeld, zoals ik voorstel in mijn brief van 16 oktober 2002 (Kamerstuk 26345, nr. 85), dan zal in dat jaar de eind- sterkte terechtkomen op circa 54.500 fte.” Sterkte-uitbreiding politie (in bve’s *) 2003 2004 2005 2006 2007 2008 Bruto sterkte-uitbreiding: + 4.000 fte gefaseerd over de 1.715,0 2.430,0 3.225,0 4.060,0 4.100,0 4.180,0 jaren toegekend, inclusief de reeds in 2001 toegekende sterkte-uitbreiding van 1000 fte. Af: * Regiospecifiek (hofstad/zeehavenpolitie/knelpunten niet- 152,8 152,8 152,8 152,8 152,8 152,8 actualisatie BVS 2002) * Landelijke recherche/postinitieel onderwijs LSOP 55,9 111,8 167,7 167,7 167,7 * KLPD 20,3 33,6 66,1 100,4 102,2 102,2 1.541,9 2.187,7 2.894,3 3.639,1 3.677,3 3.757,3 Bruto sterkte-uitbreiding gecorrigeerd: Af: *Overdracht toelatingstaken naar IND 460,0 460,0 460,0 460,0 460,0 Bruto sterkte-uitbreiding gecorrigeerd voor IND: 1.541,9 1.727,7 2.434,3 3.179,1 3.217,3 3.297,3 Af: Consequenties afname aantal asielzoekers voor AZC’s -491,7 -657,5 -822,8 -912,2 -912,2 -912,2 Netto sterkte-uitbreiding 1.050,2 1.070,2 1.611,5 2.266,9 2.305,1 2.385,1 (*): De sterkte(-uitbreiding) is conform de bekostigingssystematiek van de politie aangegeven in zogenaamde budgetverdeeleenhe- den (bve’s). Artikel 4: Prestatiebekostiging Het instrumentarium dat is ontwikkeld om te komen tot prestatiebekostiging wordt in lijn gebracht met de resultaatafspraken in de regionale convenanten. Het uitgangspunt is daarbij dat díe korpsen, die de gemaakte afspraken in voldoende mate weten te realise- ren, voor prestatiebekostiging in aanmerking komen. Artikelen 5: Verplichtingen van de ministers Artikel 5 bevat afspraken omtrent de budgettaire uitbreiding. De minister van BZK heeft de korpsen in zijn circulaire d.d. 27 november 2002 (kenmerk EA2002/92243; de ‘december-circulaire 2002’) gedetailleerd geïnformeerd over de voorgenomen budgettaire uitbreiding voor de periode 2003-2006. Met deze uitbreiding, in combinatie met de mogelijkheden die korpsen hebben binnen hun eigen budgettaire kader, zijn de voorwaarden gecreëerd voor de uitvoering van de uit dit kader voortvloeiende extra inspanningen. De minister van BZK en de korpsen volgen de ontwikkelingen van de kosten en het budget. Gezien de duidelijke vraag naar een ruimer budget om te komen tot een veiliger samenleving, zal de minister van BZK zich blijvend inspannen om verdere budgetverruiming te verwezenlijken.Voorts is het voor de korpsen van cruciaal belang om zich de komende jaren volledig te kunnen inzetten op de te bereiken prestaties. Daarom spreken partijen in artikel 6, onder c, af dat er van afgezien wordt om tijdens de periode /DQGHOLMN FRQYHQDQW YHUVLH IHEUXDUL XXU
  • 8. het budgetverdeelsysteem (verder: BVS) te actualiseren, behoudens gemeentelijke herindelingen. Het was oorspronkelijk de bedoeling dat de in het BVS gebruikte omgevingskenmerken per 1 januari 2003 en per 1 januari 2005 geactualiseerd zouden worden. Wel zal de minister van BZK (in overleg met de ministers van Justitie en Financiën) tezamen met de korpsen in de komende jaren bezien hoe het BVS beter kan aansluiten bij de ontwikkeling van de (relatieve) veiligheidssituatie en op welke wijze al te grote budgetfluctuaties kunnen worden voorkomen. De resultaten daarvan kunnen dan na de periode doorgevoerd worden. Artikel 6: Landelijke beleid- en beheercyclus In artikel 6 spreken partijen de hoofdlijnen van de landelijke beleid- en beheercyclus af. De bestaande landelijke beleid- en beheercy- clus wordt aangepast. Daarbij wordt ook de in 2002 uitgevoerde evaluatie ‘Vooruitgang of regendans?’ van de beleid- en beheercy- clus betrokken. De resultaatafspraken uit dit kader en de regionale convenanten nemen binnen de nieuwe cyclus een centrale plaats in. Over de voortgang in de uitvoering van deze afspraken rapporteren de korpsbeheerders aan de ministers van BZK en van Justitie in het kader van de beleid- en beheercyclus, alsmede aan hun regionale college. In die cyclus komen naast de afspraken uit het regionale convenant, die het hoofdbestanddeel van de vernieuwde beleid- en beheercyclus vormen, ook de onderwerpen genoemd in bijlage onder B. aan de orde. In art. 7c is opgenomen dat tevens jaarlijks een voortgangsgesprek gesprek plaatsvindt tussen de ministers en de korpsbeheerders gezamenlijk om na te gaan of het landelijk kader aanpassing behoeft. Hierin wordt betrokken de mate waarin en de wijze waarop de met de overige ketenpartners afgesproken resultaten worden gerealiseerd en in hoeverre dit bijdraagt aan het vergroten van de veiligheid. Tevens komen eventueel gebleken knelpunten in de onderlinge samenwerking en afstemming aan de orde. De jaarlijkse strategieconferentie kan mogelijk mede voor dit voortgangsgesprek worden gebruikt. In onderstaand schema is een overzicht gegeven van alle kritieke data in de informatie-uitwisseling tussen de afzonderlijke korpsen (inclusief het LSOP) en de ministers van BZK en van Justitie anderzijds. Onderwerp Uiterste datum Jaar Regionale convenanten 30 juni 2003 Personeelsgegevens per 31 december (de eerste jaarlijkse sterktemeting politie) 15 februari jaarlijks Jaarrekening/jaarverslag regio’s over het voorafgaande jaar 1 april jaarlijks Personeelsgegevens per 30 juni (de tweede jaarlijkse sterktemeting politie) 15 juli jaarlijks Periodiek voortgangsoverleg van de minister van BZK en van Justitie met de 1 oktober 2004 en 2006 afzonderlijke korpsbeheerders Begroting regionaal politiekorps 15 november Jaarlijks Topformatie-overzicht 15 november jaarlijks Overige informatie (Informatiestatuut) nader vast te stellen jaarlijks/halfjaarlijks Begin 2005 zal een tussenevaluatie van de landelijke resultaten en de convenantensystematiek worden gehouden. De gegevensver- zameling hiervoor zal vanaf eind 2004 plaatsvinden. In 2006 volgt een eindevaluatie zoals bedoeld in het Veiligheidsprogramma. Mede in het licht van de aanpassing van de beleid- en beheercyclus vindt een heroriëntatie plaats op de informatie-uitwisseling tussen korpsen en ministers. Hiertoe wordt in overleg met de korpsen het informatiestatuut 1993 aangepast. Hierin worden afspraken neergelegd over alle noodzakelijke gegevens die periodiek tussen korpsen en BZK worden uitgewisseld in de komende vier jaar. In dit statuut zal aandacht worden besteed aan het tot het noodzakelijke terugbrengen van de huidige informatievraag de ministers van BZK en van Justitie aan korpsen, het vaststellen van de toekomstige informatievraag van deze ministers aan korpsen met bijbehoren- de definities, het vaststellen van aanlevermomenten en –methoden en de publicatie van resultaten. Artikel 6, onder b bevat voorts afspraken om te komen tot verbetering van de informatievoorziening en de kwaliteit en betrouwbaarheid van de informa- tie(huishouding), en over de daarvoor eventueel noodzakelijke vertaling naar informatie- en communicatietechnologie (ICT). /DQGHOLMN FRQYHQDQW YHUVLH IHEUXDUL XXU
  • 9. Bijlage A. Toelichting op de resultaatafspraken politie Ad artikel 3, sub a Hoofddoelstelling Veiligheidsprogramma: Versterking van de algemene criminaliteitsbestrijding met daarbij als beleidsprioriteiten de aanpak van (jeugdige) veelplegers en harde-kernjongeren. Subdoelstelling(en) Veiligheidsprogramma: • Alle aangiften van misdrijven worden in behandeling genomen en verkrijgen een adequate opsporingsinspanning die afhan- kelijk is van de zwaarte van het delict en de opsporingsindicatie. • De politie pakt extra aangegeven misdrijven met opsporingsindicatie aan, oplopend tot jaarlijks 80.000 in 2006. Resultaatafspra(a)k(en): I. De korpsen dragen er gezamenlijk zorg voor dat het aantal aan het Openbaar Ministerie (OM) ter afdoening aange- boden ‘zaken met een bekende dader’ toeneemt zodat het aantal verdachten waarvan een proces-verbaal wordt aan- geboden (“rechtbankzaken”) aan het Openbaar Ministerie (OM) over het jaar 2006 is gestegen met 40.000 ten op- zichte van het aantal in 2002. II. Ieder korps stelt jaarlijks een overzicht op van (jeugdige) veelplegers en/of harde-kernjongeren. Met de ketenpartners worden op basis hiervan afspraken gemaakt welk deel van de op dit overzicht voorkomende (jeugdige) veelplegers en/of harde-kernjongeren jaarlijks kan worden aangepakt. Wat betreft de doorlooptijden van door deze (jeugdige) veelplegers en harde-kernjongeren gepleegde misdrijven, geldt –in het perspectief van de doorlooptijden in de andere onderdelen van de keten- als uitgangspunt dat 80% van de processen-verbaal daarvan, binnen 30 dagen na het eerste verhoor van de verdachte door de politie aan het OM wordt aangeboden. Indicator(en): Het aantal door de politie aan het OM aangeleverde verdachten. Bron(nen): Compas (OM) Toelichting: Voor het meten van de resultaten is de indicator ‘aantal aan het OM aangeleverde verdachten’ leidend, mede omdat deze indi- cator aanknopingspunten biedt voor het beoordelen van prestaties in de volgende schakels van de strafrechtketen. De indicator ‘aantal zaken met bekende dader’ dat de politie ter afhandeling aan het OM aanbiedt’ zal worden gebruikt ter controle (bron: BPS, X-POL, Genesys.). Het aantal van 40.000 extra ten opzichte van het jaar 2002 betekent een stijging van circa 20%. Nulwaarde 2002: Waarde 2002 wordt nog vastgesteld (naar verwachting is de waarde 2002 ca. 210.000; de waarde 2001 was 206.000.) Streefwaarde 2006: Waarde 2002 + minimaal 40.000 Ad artikel 3, sub b Hoofddoelstelling Veiligheidsprogramma: Versterking van de algemene criminaliteitsbestrijding. Subdoelstelling(en) Veiligheidsprogramma: Internationale rechtshulpverzoeken worden geregistreerd en tijdig en adequaat in behandeling genomen. Resultaatafspra(a)k(en): De korpsen dragen er zorg voor dat het percentage aan de korpsen ter afhandeling uitgegeven rechtshulpverzoeken dat tijdig is afgehandeld volgens de normen voor de wijze van afdoening en de afdoeningstermijnen, ultimo 2006 is gestegen. De te berei- ken waarde in 2006 zal in de loop van 2003 door de partijen worden vastgesteld. Indicator(en): Het percentage aan de korpsen ter afhandeling uitgegeven rechtshulpverzoeken dat volgens de aan Luris-2 gekoppelde normen binnen de gestelde termijnen is afgehandeld door de Internationale rechtshulpcentra (IRC’s). Bron(nen): Luris-2. Toelichting: Recent is de computerapplicatie ‘Luris-2’ in gebruik genomen bij de IRC’s. Daarmee is een sluitend registratiesysteem voor alle inkomende en uitgaande rechtshulpverzoeken operationeel, waardoor inzicht kan worden verkregen in de aard, omvang en /DQGHOLMN FRQYHQDQW YHUVLH IHEUXDUL XXU
  • 10. doorlooptijden van verschillende soorten rechtshulpverzoeken (politieel/justitieel, met/zonder dwangmiddelen) alsmede in de vraag waar zich in de keten van internationale rechtshulp knelpunten voordoen. In de loop van 2003 zal valide managementin- formatie beschikbaar zijn voor het OM en de politie, op basis waarvan nulwaarden en streefwaarden kunnen worden bepaald. Opgemerkt moet worden dat rechtshulpverzoeken niet altijd aansluiten bij de opsporingsprioriteiten van de Nederlandse politie en de politiediensten in het buitenland. Het niet in behandeling nemen van een rechtshulpverzoek, na verkregen toestemming van het bevoegd gezag en na overleg met de aanvrager, dient ook te worden beschouwd als een adequate afhandeling van een verzoek. Bij de inrichting van de managementinformatie uit Luris-2 is het van belang dat rekening wordt gehouden met de mogelijkheid om informatie per korps te kunnen opvragen. Nulwaarde 2003: Nog niet bekend, nader te bepalen. Streefwaarde 2006: Nader te bepalen. Ad artikel 3, sub c Hoofddoelstelling Veiligheidsprogramma: Versterking van de algemene criminaliteitsbestrijding. Subdoelstelling(en) Veiligheidsprogramma: • Opsporing van criminele illegale vreemdelingen en verdachten van gerelateerde misdrijven (zoals mensenhandel en mensen- smokkel). • Intensivering van het operationele vreemdelingentoezicht. Resultaatafspra(a)k(en): De korpsen dragen gezamenlijk zorg voor een intensivering van het operationeel vreemdelingentoezicht. Er vindt monitoring plaats van deze intensivering aan de hand van het aantal staandehoudingen (op grond van artikel 50, lid 1, van de Vreemdelin- genwet 2000) en, mede in het verlengde hiervan, van het aantal (criminele) illegale vreemdelingen dat in bewaring wordt ge- steld, waarbij de uitkomsten worden bezien in relatie tot de rest van de keten. Voor 1 januari 2004 zullen de partijen komen tot een nadere precisering. Indicator(en): Nader te bepalen. Bron(nen): Nader te bepalen. Toelichting: In het Veiligheidsprogramma is aangegeven dat het toezicht op (criminele) illegale vreemdelingen versterkt wordt. Deze doel- stelling hangt mede samen met het overdragen van administratieve taken aan de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND), waaruit capaciteit vrijkomt voor het vreemdelingentoezicht. De mogelijkheden om te komen tot intensivering van toezicht op (criminele) illegale vreemdelingen, worden bepaald door de vigerende wet- en regelgeving. Zo is staandehouding op grond van uiterlijke kenmerken niet toegestaan. Invoering van een algemene legitimatieplicht betekent een verruiming van de bevoegd- heden die meer mogelijkheden voor intensivering van het vreemdelingentoezicht schept. De intensivering van het vreemdelin- gentoezicht zal vanaf 2004 plaatsvinden. In 2003 zal gewerkt worden aan de exacte bepaling en operationalisatie van de indi- catoren en het opbouwen van de informatiepositie met betrekking tot die indicatoren. Op basis van deze nulmeting zal vervol- gens de streefwaarde voor 2006 worden vastgesteld. Nulwaarde 2003: Nader te bepalen. Streefwaarde 2006: Nader te bepalen. Ad artikel 3, sub d Hoofddoelstelling Veiligheidsprogramma: Intensivering van het toezicht en de handhaving. Subdoelstelling(en) Veiligheidsprogramma: De zichtbaarheid, bereikbaarheid en publieksgerichtheid van de politie moeten in 2006 substantieel zijn gestegen ten opzichte van 2002. Resultaatafspra(a)k(en): Met ieder afzonderlijk korps worden in het regionale convenant afspraken gemaakt over de in 2006 minimaal te bereiken score betreffende telefonische bereikbaarheid via het Landelijk Telefoonnummer Politie (LTP), over de kwaliteit van de dienstverle- ning in verband met de LTP en over de telefonische bereikbaarheid via het alarmnummer 1-1-2, alsmede over het in 2006 berei- ken van een substantiële verbetering van de schaalscore ‘beschikbaarheid’ uit de Politiemonitor bevolking (PMB). Onder een /DQGHOLMN FRQYHQDQW YHUVLH IHEUXDUL XXU
  • 11. substantiële verbetering wordt het bereiken van de door het korps behaalde hoogste waarde uit de periode 1993 tot en met 2002 verstaan. Hiermee wordt ook op landelijk niveau de hoogste waarde uit de periode van 1993 tot en met 2002 bereikt. Indicator(en): • De daadwerkelijke bereikbaarheid van het LTP/1-1-2 en de gemeten kwaliteit van de dienstverlening in het kader van het LTP die volgt uit de regionale toepassing van de ‘Kwaliteitsthermometer teleservice’. • De schaalscore ‘beschikbaarheid’ zoals gemeten in de PMB. Bron(nen): • LTP en 1-1-2: Systemen politie - kwaliteitsmetingbureau Telan. • PMB (tabel 6.6). Toelichting: Uit onderzoek (de Politiemonitor Bevolking 1999) blijkt dat bij ruim 80% van de contacten met de politie gebruik wordt ge- maakt van de telefoon. De kwaliteit van de telefonische dienstverlening achter het alarmnummer 1-1-2 en achter het LTP is daarmee een norm voor dienstverlening aan het publiek. Voor de kwaliteit van de ‘LTP-teleservicecentra’ die zorg dragen voor de beantwoording van de gesprekken via het LTP (0900-8844) is door de korpsen in 2002 de ‘Thermometer teleservice’ ontwikkeld. Deze kwaliteitsthermometer volgt het INK- model van de Nederlandse politie en voorziet in een kwaliteitsmeting die onder verantwoordelijkheid van de betreffende korpsbeheerder moet worden uitgevoerd. De kwaliteit van de werkzaamheden van het LTP-teleservicecentrum wordt gekop- peld aan de volgende kwantitatieve en kwalitatieve normen: • kwantitatief: - 80% van de oproepen wordt binnen 20 seconden beantwoord; - 90% van de gesprekken wordt binnen 30 seconden beantwoord; - 95% van de gesprekken wordt binnen 45 seconden beantwoord; • kwalitatief: - binnen ieder korps wordt de prestatie van het LTP-teleservicecentrum jaarlijks onderzocht en vastgelegd in de ‘Thermo- meter teleservice’. Iedere verstoring in de bereikbaarheid van het alarmnummer 1-1-2 leidt tot maatschappelijke onrust. De bereikbaarheid van dit alarmnummer wordt verzorgd door de 1-1-2-alarmcentrale die – in principe – binnen ieder politiekorps aanwezig is. De opvang van de gesprekken uit de mobiele-telefonienetwerken wordt verzorgd door de 1-1-2-alarmcentrale van het KLPD. De effectivi- teit van de tussenkomst van de 1-1-2-alarmcentrale wordt afgemeten aan de volgende normen: - 80% van de ‘normale’ 1-1-2-oproepen uit het vaste-telefonienetwerk wordt binnen 15 seconden aangeboden aan de achter- liggende meldkamers van brandweer/ambulance en politiediensten; - 80% van de ‘normale’ oproepen uit de mobiele-telefonienetwerken (bij deze oproepen is de plaatsbepaling moeilijker c.q. tijdrovender) wordt binnen 30 seconden aangeboden aan de achterliggende meldkamers van brandweer/ambulance en poli- tiediensten; - bij alle grote calamiteiten moet binnen 30 minuten de capaciteit van de 1-1-2-opvang zijn verdubbeld. Door middel van de schaalscore ‘beschikbaarheid’ worden de opvattingen van de bevolking over de snelheid waarmee de politie ter plaatse komt, de tijd voor de behandeling van zaken, de aanspreekbaarheid, het ‘uit de auto komen’ en de zichtbaarheid in de buurt gemeten. Deze uitspraken hebben voornamelijk betrekking op noodhulp en gebiedsgebonden werken. De betreffende lan- delijke score over de jaren 1993, 1995, 1997, 1999, 2001 en 2002 was respectievelijk: 4,7, 4,5, 4,6, 4,6, 4,5 en 4,3. Het bereiken van de hoogste waarde uit de periode van 1993 tot en met 2002, betekent een stijging op de schaalscore van circa 10%. Nulwaarde 2002: • LTP en 1-1-2: PM • PMB: landelijk: 4,3; regionaal: conform regionaal convenant. Streefwaarde 2006: • LTP en 1-1-2: PM • PMB: landelijk minimaal 4,7; regionaal: conform regionaal convenant. Ad artikel 3, sub e Hoofddoelstelling Veiligheidsprogramma: Intensivering van het toezicht en de handhaving. Subdoelstelling(en) Veiligheidsprogramma: De zichtbaarheid, bereikbaarheid en publieksgerichtheid van de politie moeten in 2006 substantieel zijn gestegen ten opzichte van 2002. Resultaatafspra(a)k(en): Met ieder afzonderlijk korps wordt in het regionaal convenant een afspraak gemaakt over het in 2006 bereiken van een sub- stantiële verbetering van het percentage van de bevolking dat zegt ‘(zeer) tevreden’ te zijn over het laatste politiecontact. On- der een substantiële verbetering wordt hier verstaan het bereiken van de hoogste waarde uit de periode van 1993 tot en met 2002. Hiermee wordt ook op landelijk niveau de hoogste waarde uit de periode van 1993 tot en met 2002 bereikt. /DQGHOLMN FRQYHQDQW YHUVLH IHEUXDUL XXU
  • 12. Indicator(en): Het percentage respondenten dat tevreden of zeer tevreden is over politieoptreden bij het laatste contact met de politie. Bron(nen): PMB (tabel 5.14). Toelichting: Publieksgerichtheid werkt door in de mate waarin burgers die in contact zijn geweest met de politie tevreden zijn over dit con- tact. Het gaat om een breed scala aan contacten met de politie, waaronder het doen van aangifte van of het melden van een misdrijf. Bij het gebruik van deze indicator zal een uitsplitsing worden gemaakt voor de contacten die te maken hebben met het aangeven of melden van misdrijven in vergelijking met de tevredenheid over andersoortige contacten. De betreffende landelij- ke score over de jaren 1993, 1995, 1997, 1999, 2001 en 2002 was respectievelijk 68,2%, 66,9%, 66,9%, 68,0%, 65,8% en 61,3%. Het bereiken van de hoogste waarde uit de periode van 1993 tot en met 2002, betekent een stijging van circa 10%. Nulwaarde 2002: PMB: landelijk minimaal 61,3%; regionaal: conform regionaal convenant. Streefwaarde 2006: PMB: landelijk minimaal 68,2%; regionaal: conform regionaal convenant. Ad artikel 3, sub f Hoofddoelstelling Veiligheidsprogramma: Intensivering van het toezicht en de handhaving. Subdoelstelling(en) Veiligheidsprogramma: De politie gaat de regels consequenter handhaven en de burgers aanspreken op overtreding daarvan. Dit zal leiden tot een sub- stantiële verhoging van het aantal uit staandehoudingen voortkomende boetes en transacties. Resultaatafspra(a)k(en): De korpsen zorgen er gezamenlijk voor dat het aantal uit staandehoudingen voortgekomen boetes en transacties over het jaar 2006 is toegenomen met 180.000 ten opzichte van het aantal over het jaar 2002. Indicator(en): Het aantal uit staandehoudingen voortgekomen boetes en transacties. Bron(nen): Centraal justitieel incassobureau (CJIB), COMPAS Toelichting: De politie gaat meer nadruk leggen op het consequent handhaven van regels en gaat de burgers actiever aanspreken op overtre- ding daarvan. De burger moet zien en ervaren dat regels – met name met betrekking tot vormen van overlast en verstoring van de openbare orde die te typeren zijn als ‘kleine ergernissen’ – consequent worden gehandhaafd. Deze insteek in het Veilig- heidsprogramma betekent dat over de gehele linie de handhaving zal toenemen. Gebiedsgebonden politiezorg blijft een cen- traal uitgangspunt in de werkwijze van de politie. Dit betekent een kleinschalige en probleemgerichte benadering, samenwer- king met partners en het betrekken van burgers bij de aanpak van veiligheidsproblemen in hun wijk. Extra politie moet leiden tot meer en zichtbaarder toezicht door de politie, betere ondersteuning van burgers bij zelfredzaamheid en bemiddeling bij conflicten in hun wijk. Daarnaast vormt een stringente handhaving van normen (zoals het optreden tegen kleine ergernissen en overlast in het publieke domein, tegen geweld en tegen agressief verkeersgedrag) een essentiële voorwaarde voor de effectivi- teit van een integrale aanpak en gebiedsgebonden politiezorg. Alleen hierdoor behoudt en versterkt de politie het voor de uitoe- fening van haar functie noodzakelijke vertrouwen van de burgers. Het aantal van 180.000 extra ten opzichte van het jaar 2002 betekent een stijging van circa 15%. Nulwaarde 2002: Waarde 2002 wordt nog vastgesteld (de waarde 2001 was 1.197.602). Streefwaarde 2006: Waarde 2002 + minimaal 180.000 Ad artikel 3, sub g Hoofddoelstelling Veiligheidsprogramma: Verbetering van de doelmatigheid. Subdoelstelling(en) Veiligheidsprogramma: Doelmatigheidsverbetering binnen het primaire proces van 5% in vier jaar. /DQGHOLMN FRQYHQDQW YHUVLH IHEUXDUL XXU
  • 13. Resultaatafspra(a)k(en): I. De korpsen zorgen er gezamenlijk voor dat het totale landelijke ziekteverzuimpercentage (waarin het ziekteverzuim korter en langer dan één jaar is opgenomen) over het jaar 2006 maximaal 8% bedraagt. In het regionale convenant worden per korps afspraken gemaakt over het ziekteverzuimpercentage. II. Met ieder afzonderlijk korps wordt in het regionale convenant een afspraak gemaakt om in de periode 2002-2006 te komen tot een doelmatigheidsverbetering van minimaal 5% van de feitelijke sterkte per 31 december 2002 (met inbegrip van het te- rugdringen van het ziekteverzuim) ten behoeve van het primaire proces. Ieder korps stelt daartoe een plan van aanpak op waarin samenhangende maatregelen (waaronder de optimalisatie van capaciteitsmanagement) worden weergegeven die, sa- men met de maatregelen ten behoeve van de terugdringing van het ziekteverzuim, deze doelmatigheidsverbetering realise- ren. III. Korpsen die in 2006 een ziekteverzuimpercentage hebben dat lager is dan het landelijk gemiddelde streefcijfer van 8%, mo- gen het verschil tussen het landelijk gemiddelde streefcijfer en het ziekteverzuimpercentage van dit korps, in mindering brengen op de doelmatigheidsdoelstelling van 5% Indicator(en): 1. Ziekteverzuimpercentage. 2. De aanwezigheid van een vastgesteld plan voor doelmatigheidsverbetering. Bron(nen): 1. Landelijk ziekteverzuimpercentage, zoals opgenomen in PolBIS. Hierbij wordt gedoeld op het totale ziekteverzuimpercentage, dat zowel het ziekteverzuim langer als korter dan één jaar bevat. Nadere voorschriften: over de registratie van het ziekteverzuim vanaf 1 januari 2003 zullen door BZK worden ge- communiceerd. 2. Doelmatigheidsverbetering: het voornoemde plan van aanpak Toelichting: Maatregelen waarmee een doelmatigheidsverbetering van 5% in de periode 2002-2006 kan worden bereikt zijn enerzijds gericht op het verhogen van de effectiviteit van de werkzaamheden, maar anderzijds ook op het vergroten van het arbeidsvolume door het terugdringen van het ziekteverzuim en het vraaggericht plannen van de politiediensten (capaciteitsmanagement). Op lande- lijk niveau dient het ziekteverzuimpercentage te dalen tot ten hoogste 8% over het jaar 2006. Deze daling sluit aan op de doel- stellingen en inspanningen zoals deze zijn opgenomen in het ARBO-convenant politie 2001-2004, waarin afgesproken is dat over het jaar 2004 het landelijk ziekteverzuimpercentage 8,5% zal bedragen. In dit ARBO-convenant is afgesproken dat de af- zonderlijke korpsen het eigen ziekteverzuim in 2004 met 10% hebben gereduceerd ten opzichte van het eigen ziekteverzuimper- centage in 2000. Nulwaarde 2000: • Landelijk ziekteverzuimpercentage over het jaar 2000: 9,4%. Waarde 2004: • Landelijk ziekteverzuimpercentage over het jaar 2004: 8,5 % (-10% ten opzichte van 2000). Streefwaarde 2006: • Landelijk ziekteverzuimpercentage over het jaar 2006: maximaal 8% (-5% ten opzichte van 2004) B. Beheeronderwerpen De minister van BZK (in overeenstemming met de minister van Justitie, waar het gaat om de onderwerpen genoemd onder 1 en 2 zal de navolgende beheeronderwerpen in de periode gericht volgen en deze, indien daartoe aanleiding is, bespreken met de korpsbeheer- der. De punten genoemd onder 4, 5, en 6 betreffen onderwerpen die reeds zijn vastgelegd, of die op de nominatie staan om te worden vastgelegd, in wet- en regelgeving van de minister van BZK en die voor de korpsen dus een gegeven vormen. 1. Invoering ABRIO Ieder korps draagt zorg voor het uiterlijk op 1 januari 2004 implementeren van de landelijke standaards voor de opsporing zoals die in het kader van ABRIO (het project ‘Aanpak bedrijfsvoering recherche-informatiehuishouding en –opleiding’) zijn ontwikkeld en vóór 1 januari 2003 door de RHC zijn vastgesteld. Het gaat concreet om de volgende ABRIO-producten en eventuele bijbehorende werkprocessen, producten en hulpmiddelen: RWOV 1, Politiële Regeling Regionale Infodesk, PD-management, Procesmodel CIE en het Kwaliteitsinstrument Opsporing en Vervolging (KOV). Over het implementeren van de overige nog door de RHC vast te stellen producten, te weten de Raamregeling Team Grootschalige Opsporing, Procesdossier, Procesmodel Observeren en IGO- informatieproducten worden nadere afspraken gemaakt. 2. Bovenregionale rechercheteams Vanaf 2003 komt jaarlijks 1% van het budget beschikbaar ten behoeve van de vorming van bovenregionale rechercheteams ter bestrijding van de regio-overstijgende vormen van middelzware criminaliteit. Per 1 juli 2003 zijn er zes vaste bovenregionale rechercheteams (BRT-IFT-combinaties), belast met de bestrijding van bovenbedoelde vormen van criminaliteit en de horizontale fraude feitelijk operationeel. De sterkte van de BRT-IFT-combinaties bedraagt 1% van de politiesterkte vermeerderd met de huidige /DQGHOLMN FRQYHQDQW YHUVLH IHEUXDUL XXU
  • 14. capaciteit van de IFT’s (Interregionale fraudeteams). Uiterlijk op 1 januari 2004 zijn de zes bovenregionale rechercheteams volledig beheermatig ondergebracht bij de aangewezen zes centrumkorpsen. 3. Referentiekader grootschalig politieoptreden Ieder korps draagt zorg voor het uiterlijk op 1 januari 2004 inrichten van de organisatie conform het vastgestelde referentiekader grootschalig politieoptreden. Aan de bestaande projectorganisatie wordt door BZK en RHC conform de gemaakte afspraken financieel bijgedragen. Er wordt een nieuw, multidisciplinair referentiekader grootschalig en bijzonder optreden (een systeem van zelfevaluatie en audits) ontwikkeld vóór 1 januari 2006. Over de implementatie daarvan worden nadere afspraken gemaakt. 4. Harmonisatie afschrijvingen door politiekorpsen Vooruitlopend op het per 1-1-2004 van kracht worden van de regelgeving inzake de harmonisatie afschrijvingen politiekorpsen (HAP), zullen de korpsen reeds in de jaarrekening 2003 de gevolgen van de HAP inzichtelijk maken. 5. Geïntegreerd middelenbeheer Elk korps voldoet aan de afspraken die worden gemaakt over ‘Geïntegreerd Middelenbeheer’. 6. Vermogensbeheer Elk korps voldoet aan de regels die worden gesteld in het kader van art. 45, vijfde lid, van de Politiewet 1993 (vermogensbeheer). 7. Geweldsmiddelen doelstelling: Meer dan 90% van diegenen die zijn uitgerust met geweldsmiddelen binnen de politie voldoet aan de eisen die door de Rege- ling toetsing geweldsbeheersing politie (RTGP) worden gesteld. Indicator(en): Het percentage van het personeel dat met geweldsmiddelen is uitgerust dat voldoet aan de eisen uit de RTGP. Bron(nen): PolBIS (registratie vanaf 2002). Toelichting: Op 1 januari 2002 is de RTGP van kracht geworden. Medewerkers die zijn uitgerust met geweldsmiddelen vallen onder de bepalingen van deze regeling. De eisen uit de RTGP zijn bindend voorgeschreven, evenals het percentage van 100%. De streefwaarde van 100% is in de praktijk door overmachtsituaties (zoals ziekteverzuim) niet volledig haalbaar. Streefwaarde: Minimaal 90%. 8. Percentage allochtonen doelstelling: De regionale politiekorpsen voldoen aan het percentage allochtonen zoals dat in het regionaal convenant als streefcijfer wordt afgesproken op voorstel van het Landelijk expertisecentrum diversiteit (LECD). ) Indicator(en): Het percentage allochtonen per korps. Bron(nen): PolBIS. Toelichting: Voor een goed personeelsbeleid is het ook van belang om aandacht te besteden aan diversiteit, onder meer om aansluiting met de ontwikkelingen in de maatschappij te houden en een kwalitatief goed politieproduct te leveren Daarom wordt afgesproken het percentage allochtonen jaarlijks te monitoren, onder andere met behulp van de monitor van het LECD. Streefwaarde: Het regionale streefcijfer. /DQGHOLMN FRQYHQDQW YHUVLH IHEUXDUL XXU

Related Documents