Politie en media
Blanco pagina
Politie en media
Feiten, fictie en imagopolitiek
prof.dr. Henri Beunders
prof.mr.dr. Erwin Muller
Politie en Wetenschap
...
In opdracht van:
Programma Politie en Wetenschap
Omslagfoto:
Bram Saeys / Hollandse Hoogte
Ontwerp:
Frits Reijnst
ISBN: ...
Inhoud
Inleiding: Politie en media, inzicht in een spanningsvolle relatie
13
1
2
3
4
13
14
18
19
Inherente spanning
Po...
Inhoud
2.5
2.6
2.7
2.8
2.9
2.10
2.11
2.12
2.13
2.14
2.15
2.16
2.17
2.18
2.19
2.20
2.21
Differentiatie politiefunctie
Vaa...
Inhoud
3.15
3.16
3.17
3.18
3.19
3.20
Speelbal van de publieke opinie
OM weer ‘op slot’, nieuwe kritiek
OM zoekt zelf wee...
Inhoud
5.4
5.5
5.6
5.7
5.8
5.9
5.10
6
Medewerking aan fictie en non-fictie op tv
Roep om betere bescherming van de priv...
Inhoud
8.1.2
8.1.3
8.2
8.3
8.4
8.4.1
8.4.2
8.4.3
8.5
8.5.1
8.5.2
8.5.3
8.5.4
8.5.5
8.5.6
8.5.7
9
Mediamacht
Gedragscode...
Inhoud
deel V
Slotbeschouwing en drie scenario’s
345
10
Slotbeschouwing
347
10.1
10.2
10.3
10.4
10.5
10.6
10.7
10.7...
Inhoud
deel VI Conclusies en aanbevelingen
391
12
Conclusies van het onderzoek
393
12.1
12.2
12.3
12.4
12.5
12.6
12....
12
Politie en media
Inleiding
Politie en media,
inzicht in een spanningsvolle relatie
1
Inherente spanning
‘De politie’ bestaat niet. ‘De med...
Inleiding
een verstandshuwelijk te boven kan en mag gaan, is inmiddels ver te
zoeken.
In kringen van politie overheerst o...
Inleiding
dienaar van de eigen zuil of ‘het algemeen belang’ allang voorbij.
Natuurlijk, de strijd tussen ‘de sterke arm’...
Inleiding
moorden in de krant’ – zal men tegenwoordig niet vaak meer horen. Nu
zal het antwoord luiden: ‘Waarom niet? Het...
Inleiding
media de zeilen zijn die het schip vooruit jagen. In werkelijkheid stuwt
niet het zeil maar de wind het schip v...
Inleiding
3
Politie en media als instituten
De stelling is te verdedigen dat ‘de politie’ en ‘de media’ de belangrijkste...
Inleiding
druk waaraan de politie bloot staat, van de kant van met name ‘de politiek’, ‘het publiek’, het OM en de advoca...
Inleiding
De Commissie Politie en Wetenschap heeft diverse onderzoeken laten
uitvoeren naar aspecten van de Nederlandse p...
Inleiding
partners, met name de media. Het resultaat is minder eenduidig, een
bewijs dat ‘de politie’ niet bestaat, en da...
22
Politie en media
deel I
Maatschappij, media en politie
24
Politie en media
Media en maatschappij
1.1
1
Angst voor de massa en massamedia
De betekenis en macht die geleerden, cultuurkenners, zielz...
deel I Maatschappij, media en politie
ale wetenschappers die nazi-Duitsland waren ontvlucht en, deels in
ballingschap, di...
1. Media en maatschappij
idee dat gevestigde elites toch al van zichzelf hadden: dat zij niet alleen de
oprichters van de...
deel I Maatschappij, media en politie
Anderzijds zagen ze de propagandistische waarde van de media nog altijd
goed in. En...
1. Media en maatschappij
werd gevoerd door het nieuwe ‘weldenkende deel der natie’ – zij wonnen
al die decennia aan popul...
deel I Maatschappij, media en politie
vraag dan menigeen veronderstelt. Het is zeker niet zo dat er veel bewezen
argument...
1. Media en maatschappij
niet voorkomen.6 Dat geldt eveneens voor de studie van filosoof en cultuursocioloog Gabriël van ...
deel I Maatschappij, media en politie
ten. Van den Brink stelt terecht vast dat dit komt doordat de overheid niet
langer ...
1. Media en maatschappij
geworden. Is het traject naar een assertieve levensstijl alles overheersend –
met als kernwoord ...
deel I Maatschappij, media en politie
De behoefte aan fysieke veiligheid en vrijheid en de bevrediging van
materiële en g...
1. Media en maatschappij
noemden uit sociale activiteiten buitenshuis veel bevrediging putten. Deze
groep, die Van den Br...
deel I Maatschappij, media en politie
die van de SoundMixShow of Big Brother. De politici op het Binnenhof kregen
er voor...
1. Media en maatschappij
heid die televisie- of filmbeelden kunnen hebben, of ze nu de realiteit
weergeven of bestaan uit...
deel I Maatschappij, media en politie
ervan, dan om de inhoud van de boodschap. Die conclusie werd al gevat
in de inmidde...
1. Media en maatschappij
bestaat? Het is waar, onze zintuigen bedriegen ons, onze waarnemingen
en ervaringen vragen om in...
deel I Maatschappij, media en politie
functionerende samenleving. Democratie is niet goed mogelijk zonder een
fundament v...
1. Media en maatschappij
Dit verlammende ‘het kan vriezen, het kan dooien’-gevoel is de afgelopen jaren verminderd. De an...
deel I Maatschappij, media en politie
met binnen de onzichtbare bio-industrie. Van de kantoren met spiegelglas
zien we vo...
1. Media en maatschappij
de media geleverde beelden van en commentaren op de werkelijkheid. Dat
Fortuyn zelf ook in sterk...
deel I Maatschappij, media en politie
vallen betrokkenen, tot hun aftreden leiden, zelfs het bestaan van hele
organisatie...
1. Media en maatschappij
geplaatst.22 Goed, er zijn door de digitale productie en de elektronische
verspreidingsmiddelen ...
deel I Maatschappij, media en politie
pijn van anderen over de Twin Towers opgemerkt dat het haar zo opviel
hoeveel overl...
1. Media en maatschappij
1.14
Betekenis voor relatie politie en media
Op basis van deze eerste beschouwing over de rol v...
deel I Maatschappij, media en politie
diep ingrijpt in mensenlevens. Het is voor velen ook zeer herkenbaar. Dat
maakt het...
Politie en maatschappij
2.1
2
Inleiding
Na de introductie over de rol van de media in de maatschappij in het
vorige hoof...
deel I Maatschappij, media en politie
De sfeer in de samenleving is momenteel zo dat een aantal normschendingen en de wij...
2. Politie en maatschappij
politiezorg ontvouwd.4 De projectgroep onderzocht de bijdrage die de politie aan de samenlevin...
deel I Maatschappij, media en politie
De politie had, evenals bestuur en justitie, onvoldoende geanticipeerd
op de maatsc...
2. Politie en maatschappij
proces door medezeggenschapsorganen, dienstcommissies etc., maar
beslissingen bleven voorbehou...
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
Politie en Media
of 448

Politie en Media

Politie en media Feiten,fictie en imagopolitiek prof.dr.Henri Beunders prof.mr.dr.Erwin Mulle
Published on: Mar 4, 2016
Source: www.slideshare.net


Transcripts - Politie en Media

  • 1. Politie en media
  • 2. Blanco pagina
  • 3. Politie en media Feiten, fictie en imagopolitiek prof.dr. Henri Beunders prof.mr.dr. Erwin Muller Politie en Wetenschap Erasmus Universiteit Rotterdam COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement 2005
  • 4. In opdracht van: Programma Politie en Wetenschap Omslagfoto: Bram Saeys / Hollandse Hoogte Ontwerp: Frits Reijnst ISBN: 90-6720-361-0 Realisatie: Uitgeverij Kerckebosch bv, Zeist © 2005, H. Beunders, Amsterdam/E. Muller, ’s-Gravenhage/ Politie & Wetenschap, Apeldoorn Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opname of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16b Auteurswet 1912 juncto het Besluit van 20 juni 1974, Stb. 351, zoals gewijzigd bij Besluit van 23 augustus 1985, Stb. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp). Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden. 4 Politie en media
  • 5. Inhoud Inleiding: Politie en media, inzicht in een spanningsvolle relatie 13 1 2 3 4 13 14 18 19 Inherente spanning Politie en media in verandering Politie en media als instituten Inhoud studie deel I Maatschappij, media en politie 23 1 Media en maatschappij 25 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8 25 26 27 28 29 30 32 1.9 1.10 1.11 1.12 1.13 1.14 2 Angst voor de massa en massamedia Respect voor ‘de krant’ De verzuiling De ‘dekolonisatie’ van de burger Het belang en het effect van ‘de media’ De moderne burger: mondiger of moeilijker Individualisering en nieuwe medialoyaliteiten Belang en effect van de (nieuwe) media: the silent majority wordt mondig De sociale gevolgen van nieuwe communicatienetwerken Waarheid en illusie Perceptie, resultaten en emotie De ‘incidenten- en heisamaatschappij’ Beeldcultuur of niet? Betekenis voor relatie politie en media 34 37 38 41 43 44 47 Politie en maatschappij 49 2.1 2.2 2.3 2.4 49 50 55 56 Inleiding Politie in verandering Politie: partner in integrale veiligheidszorg Politie als bedrijf Politiewetenschap nr. 21 5
  • 6. Inhoud 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10 2.11 2.12 2.13 2.14 2.15 2.16 2.17 2.18 2.19 2.20 2.21 Differentiatie politiefunctie Vaardigheden van agenten Politieagenten als streetcorner politicians Media en politie bij crises en ordeverstoringen Media, politie en terrorisme Media: haat en liefde voor terroristische incidenten Emo-tv en soft stories Mediamanipulatie door terroristische organisaties Waarschuwen en claimen: irrelevant voor de mate van mediaaandacht Terroristische incidenten, media en het publiek Terroristische incidenten, media, publiek en overheid Overheidsfunctionarissen en media Bestuurders en politici Politie en inlichtingen- en veiligheidsdiensten Overheidsmaatregelen rond mediaberichtgeving Van laissez faire via richtlijnen naar censuur? Tot slot 58 58 60 62 64 65 66 67 69 70 73 74 75 75 76 77 79 deel II Het Openbaar Ministerie en de media 81 3 Mediarichtlijnen en het imago van het Openbaar Ministerie 83 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11 3.12 3.13 3.14 6 Politie en media Imago van overheidsinstellingen Waarom aandacht voor het OM? Schaalverandering Richtlijnen en Aanwijzingen inzake OM-voorlichting Marketing Openbaar Ministerie Het OM in de verdrukking ‘Het proces van de eeuw’ Proactief of mediacircus Camera in de rechtszaal? Kritiek op OM-voorlichting houdt aan Mediaoffensief als politiek signaal ‘Mediahypes’ Mediahype en de theorie van de vorige keer Lessen en kritiek 83 85 86 88 94 96 98 100 102 108 110 112 115 117
  • 7. Inhoud 3.15 3.16 3.17 3.18 3.19 3.20 Speelbal van de publieke opinie OM weer ‘op slot’, nieuwe kritiek OM zoekt zelf weer de publiciteit: Pim Fortuyn en prins Bernhard Van reactief naar proactief De mening van journalisten over het OM Conclusies 120 122 125 128 131 135 deel III De politie en de media 141 4 Media, politie en misdaad 143 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15 4.16 4.17 4.18 4.19 143 146 149 151 155 158 162 165 167 173 175 177 179 181 183 186 191 195 196 5 Veranderd imago van de politie Communicatiemiddelen bij de opsporing Media en de perceptie van veiligheid Politie in fictie Opsporing Verzocht Effecten van fictie en non-fictie op de perceptie van de politie Het effect van fictie op de politie zelf Moord in de krant Van sensationele tot abstracte berichtgeving Strubbelingen tussen pers, politie en justitie Justitie en politie: naar modern management Imago van de politie op een dieptepunt De invoering van de politieperskaart Verandering van de pr-strategie bij de politie Vernieuwing bij justitie: voorlichting en camera’s Verwarring en frustratie bij de pers Onvrede over de politievoorlichting Onvrede en onmacht onder de politievoorlichters Conclusie Televisie en politie 199 5.1 5.2 5.3 199 200 202 Inleiding Televisie moet het geblutste imago herstellen Televisie als hulp bij de opsporing Politiewetenschap nr. 21 7
  • 8. Inhoud 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 6 Medewerking aan fictie en non-fictie op tv Roep om betere bescherming van de privacy Verkoeling in de relatie tussen politie en media Een meer bezonnen koers De strijd tegen negatieve publiciteit Meer privacy in de pers, minder privacy op tv en op straat De politiek en het imago van de politie 208 212 215 219 222 226 229 Richtingenstrijd over de politievoorlichting 233 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 233 235 237 241 6.6 6.7 7 Inleiding Het Nederlands Politie Instituut en de corporate-aanpak De ‘sociale pr’ in de plattelandsomgeving ‘Leve het publiciteitsplan’ De voorlichtingstactiek van het korps AmsterdamAmstelland Politievoorlichting onder een ‘gekozen’ burgemeester: Rotterdam Conclusies 249 252 256 De enquête onder politievoorlichters 259 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8 259 259 261 262 264 265 267 268 Inleiding Algemeen Waardering en toegang tot korpsleiding Mediabeleid Contact met journalisten Waardering en effect van de contacten met de media Autonomie of centralisering van de voorlichting Slotopmerkingen deel IV De media en de politie 271 8 Journalisten over de politievoorlichting 273 8.1 8.1.1 273 273 8 Politie en media Inleiding Grondrechten
  • 9. Inhoud 8.1.2 8.1.3 8.2 8.3 8.4 8.4.1 8.4.2 8.4.3 8.5 8.5.1 8.5.2 8.5.3 8.5.4 8.5.5 8.5.6 8.5.7 9 Mediamacht Gedragscode voor krant en televisie Waren er ‘gouden jaren’ in de relatie verslaggever-politie? Verzakelijking en public relations De politie-invloed op de onderwerpselectie door journalisten Het persbericht Persconferenties Deals over primeurs De houding van de politie bij het vergaren van informatie De kennis bij journalisten De spin: een gunstige draai geven aan informatie Informatie achterhouden Afscherming van de politieorganisatie Beïnvloeding van het uiteindelijke artikel Na publicatie: de dreigingen en de advocaten Afronding 275 278 281 285 287 287 290 291 296 297 298 299 306 311 313 315 Inhoudsanalyse van berichtgeving over de politie in twee kranten 321 9.1 9.2 9.2.1 9.2.2 9.2.3 9.3 9.3.1 9.3.2 9.4 9.4.1 9.4.2 9.4.3 9.4.4 9.5 321 322 322 323 323 324 324 327 334 334 336 338 339 342 Inleiding Opzet Gekozen kranten Periode Analyse De resultaten Kwantitatief Kwalitatief Koppeling van de uitkomsten Onderwerpen nieuwsartikelen versus ingezonden brieven Aard en bron berichtgeving politiekorpsen Fouten politie Verloop aard berichtgeving Samenvatting en conclusies Politiewetenschap nr. 21 9
  • 10. Inhoud deel V Slotbeschouwing en drie scenario’s 345 10 Slotbeschouwing 347 10.1 10.2 10.3 10.4 10.5 10.6 10.7 10.7.1 10.7.2 10.7.3 10.8 10.9 10.10 10.11 347 348 349 351 352 354 356 356 358 360 363 365 368 10.12 10.13 11 De mediamaatschappij Publieke opinie en ‘incidentalisme’ Van feit naar voorlichting Vermomde politisering De politie domineert als bron Crises doorbreken de mediadominantie Schaarbewegingen Radio en tv versus het gedrukte woord Officieel nieuws versus het gerucht Routine versus ‘hype’ en ‘rechtszaak van de eeuw’ Media als ‘agenten van politie’ De media als arena voor probleemdefinitie De schaarbeweging van de privacy Mogelijke boemerangeffecten van de succesvolle politievoorlichting Televisie ideologiseert De persoonlijkheid van de korpschef en voorlichter 368 371 372 Drie voorlichtingsscenario’s 375 11.1 11.2 11.3 375 379 11.4 11.5 11.6 10 Politie en media Bestaat ‘de juiste manier’ van mediabeleid? Scenario 1: minder media, af en toe imagopolitiek Scenario 2: actief mediabeleid, ondersteunende imagopolitiek Scenario 3: zo veel mogelijk media, altijd imagopolitiek Boemerangeffect van imagopolitiek: hypes en schandalen Legitimiteit en transparantie in het tijdperk van imagopolitiek 381 383 385 389
  • 11. Inhoud deel VI Conclusies en aanbevelingen 391 12 Conclusies van het onderzoek 393 12.1 12.2 12.3 12.4 12.5 12.6 12.7 393 394 395 397 398 399 402 13 Algemeen Media en politie in de maatschappij Media, politie en misdaad OM en de media Televisie en politie Politievoorlichting Journalisten en politievoorlichting Aanbevelingen voor politie en media 405 13.1 13.2 13.3 13.4 405 410 414 415 Aanbevelingen voor zowel politie als media Aanbevelingen voor de politie Aanbevelingen voor het bevoegd gezag over de politie Aanbevelingen voor de media Literatuur 419 Register 435 Politiewetenschap nr. 21 11
  • 12. 12 Politie en media
  • 13. Inleiding Politie en media, inzicht in een spanningsvolle relatie 1 Inherente spanning ‘De politie’ bestaat niet. ‘De media’ evenmin. Toch kunnen we niet zonder deze verzamelnamen, zeker niet in een inleiding. Want het is zoals Paul Valéry ooit zei: “Een generalisatie die simpel is, kan niet waar zijn. Maar aan een generalisatie die niet simpel is, heb je niets.” Politie en media zijn als instituties al complexe werelden op zichzelf, en bewegen zich in een nog veel complexere politieke, bestuurlijke en maatschappelijke omgeving: lokaal, nationaal en internationaal. Over de ontwikkelingen in de relatie tussen ‘de politie’ en ‘de media’ – en over het veranderende politieke en publicitaire krachtenveld waarin ze zich bewegen – gaat dit boek. Politieagenten en journalisten hebben veel gemeen. Ze willen bewaker zijn van openbare orde en veiligheid, dan wel van de democratie en van de rechtsstaat. Ze willen onrecht aan het licht brengen. Ze doen beide aan opsporing en gebruiken daarvoor soms dezelfde methoden. Er was een tijd dat beide groepen veel waardering hadden voor elkaar. Zij zagen elkaar niet in de eerste plaats als concurrent of zelfs als vijand, maar als mensen die – elk met eigen methoden en middelen – toch hetzelfde doel nastreefden: een goede samenleving te dienen. Ze zagen elkaar als bondgenoten, die soms slaande ruzie hadden, maar elkaar door de bank genomen als noodzakelijke partners beschouwden en elkaar respect betuigden, ook als de ander hen te slim was afgeweest. Die tijd is voorbij. Het respect voor elkaar is verminderd, de verwijten over en weer nemen toe. Het idee dat beide beroepsgroepen spelers zijn in een ‘spel’, is verdwenen. Eveneens is het idee verdwenen dat de wederzijdse afhankelijkheid vereist dat er zo veel mogelijk openheid betracht dient te worden. De veronderstelling dat de relatie tussen politie en media een vertrouwensrelatie dient te zijn, ook als deze nooit de intimiteit van Politiewetenschap nr. 21 13
  • 14. Inleiding een verstandshuwelijk te boven kan en mag gaan, is inmiddels ver te zoeken. In kringen van politie overheerst op dit moment de mening dat veel journalisten lui zijn – broddelaars en sensatiezoekers. Sommigen duiden journalisten aan als ‘gewoon ratten’. Op hun beurt verwijten veel journalisten de politie dat ze de democratische plicht om te vertellen wat verteld kan worden, steeds meer aan haar laars lapt – dat de traditionele bereidheid van het geven van informatie, achtergrond en medewerking door de politie verruild is voor een obsessie met geheimhouding, voortgedreven door angst en de zorg over ‘imago’. “Ze snappen niets van de media”, “ik ga zo veel mogelijk om de voorlichters heen, die herhalen toch alleen maar letterlijk wat er in het persbericht staat” en “het werk wordt ons steeds moeilijker gemaakt” behoren tot de beleefdste typeringen van de politie en haar woordvoerders. De inherente spanning die er bestaat, en hoort te bestaan, tussen politie en media is, zo zal blijken, in de afgelopen jaren zover opgelopen dat de vraag gesteld moet worden of het niet van grote urgentie is om deze relatie te verbeteren. In meer abstracte zin ten behoeve van de democratische rechtsstaat en in meer praktische zin ten behoeve van het doel waarnaar beide groepen zeggen te streven: een goed geïnformeerde, veilige, open en rechtvaardige samenleving. De verbetering van de relatie tussen politie en media zal niet eenvoudig zijn. Want de politie en de media hebben nog een belangrijk kenmerk gemeen: ze delen een gevoel van macht. De politie heeft het grondwettelijke monopolie op het geweld, de meest fysieke machtsuitoefening die er bestaat. De media hebben de macht van het woord en de macht van het beeld, uitvloeisel van de eveneens in de Grondwet verankerde vrijheid van meningsuiting. Ook al is het in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag van burgemeester en officier van justitie, de politie is letterlijk machthebber. De media zijn figuurlijk machthebbers, alleen ondergeschikt aan het bevoegd gezag van de onafhankelijke rechter als zij wettelijke grenzen overschrijden. 2 Politie en media in verandering Macht is gevaarlijk. Dit geldt voor de politie en eveneens voor de wereld van de media. Beide zijn de fase van eenvoudige diender en deemoedige 14 Politie en media
  • 15. Inleiding dienaar van de eigen zuil of ‘het algemeen belang’ allang voorbij. Natuurlijk, de strijd tussen ‘de sterke arm’ en ‘de machtige pen’ is van alle tijden. En datzelfde kan gesteld worden van de golfbeweging in de krachtsverhoudingen, ook in Nederland. Die beweging heeft alles te maken met de ontwikkelingen in de ideeën over de taken en bevoegdheden van de politie in een maatschappij. Die ideeën zijn in de afgelopen halve eeuw scherp als een pendel heen en weer gegaan. Van een autoritaire politie ‘die van de wapenstok gebruik moést maken’, tot een sociaal opbouwwerker (‘de wijkzuster’) volgens het jaren zeventig-adagium: ‘de politie is je beste kameraad’. De politieke werkelijkheid is sinds begin jaren negentig bezig de wijkteamgedachte hardhandig aan de zijlijn te zetten, hoezeer velen in politiekringen in het concept blijven geloven. De roep om meer veiligheid, de roep om zero tolerance heeft de politie tot belangrijkste prioriteit van de politiek gemaakt. Een deel van de groeiende spanning in de relatie tussen politie en media is uiteindelijk terug te voeren op de innerlijke en tegenstrijdige verlangens van de moderne, mondige burger: enerzijds naar vrijheid en autonomie, anderzijds naar veiligheid en geborgenheid. Deze ‘veiligheidsutopie’ heeft grote consequenties gehad voor de opvattingen over de politie. Zo is de druk om ‘te presteren’ enorm gegroeid, is ook de bereidheid sterk gegroeid om de politie meer mankracht, taken en bevoegdheden te geven tegenover de burger. Maar niet tegenover ‘politiek Den Haag’. De neiging om de autonomie van de politiekorpsen te verminderen ten gunste van een centrale leiding vanuit Den Haag, is ook gegroeid. Ook deze tendens heeft grote consequenties voor de externe communicatie van de politie. Door de aanzwellende storm van rising expectations van de kant van de burgers, en onder de druk van een soms tegenstrijdig pakket van politieke eisen en restricties, voelt de politie zich nog altijd vrij vaak machteloos. Machteloos tegenover het bevoegd gezag, tegenover de ongrijpbare kleine en grote misdadigers, maar niet minder tegenover nieuwe machten die ten tonele zijn verschenen, zoals slachtoffergroepen en de advocatuur, en in de allereerste plaats ‘de media’. De meeste media hebben zich in de afgelopen decennia ontworsteld aan ‘het bevoegde gezag’ van partij of kerk. En niet minder aan de stilzwijgende doch evenzo disciplinerende kracht van de traditionele fatsoensmoraal van de leden of abonnees. Een uitspraak op een redactie als ‘dat doen wij gewoon niet’ – bijvoorbeeld als het ging om het uitgangspunt ‘geen Politiewetenschap nr. 21 15
  • 16. Inleiding moorden in de krant’ – zal men tegenwoordig niet vaak meer horen. Nu zal het antwoord luiden: ‘Waarom niet? Het is belangrijk. Nog belangrijker: het verkoopt. We kunnen niet achterblijven.’ De ‘neutrale’ media zoals De Telegraaf en de AVRO hebben zich altijd onafhankelijk opgesteld. Maar sinds de jaren zestig, die jaren van ontzuiling, ontvoogding en economische, technologische en redactionele modernisering, tooien ook de voorheen geheel verzuilde media zich met de kroon van onafhankelijkheid, objectiviteit en professionaliteit. Slechts zelden hoort men bij hen, in deze trits van de heilige drieëenheid der eigenschappen, het woord ‘commercieel’. Mocht de journalistiek zich al heel lang gekoesterd hebben in de uitspraak ‘de pers is de koningin der aarde’, de lieflijke glans die dit zelfbeeld had, is in de afgelopen tien, vijftien jaar dof geworden. De ‘neutrale’ media en de commerciële omroepen die sinds 1990 in het medialandschap zijn verrezen en daar inmiddels als hoge torens te zien zijn, hebben van meet af aan nooit verbloemd dat geld verdienen het belangrijkste motief is, en dat grote oplages en hoge kijkcijfers daarom doorslaggevend zijn. Wat niet betekent dat zij strijdig handelden met de behoeften van veel burgers. Integendeel, zij voorzagen in zaken waaraan steeds meer burgers behoefte bleken te hebben. Zoals informatie en infotainment over misdaad en (on)veiligheid. Achter alle gepercipieerde macht van de media, lijkt angst in deze commerciële tijden steeds meer the driving force geworden van veel media. Angst voor verlies van lezers en kijkers. Daarnaast schemert, iets filosofischer, de ideële angst steeds duidelijker door de façade van trots op die kroon van onafhankelijkheid, objectiviteit en professionaliteit. De problemen in de huidige geprivatiseerde en multiculturele samenleving hebben de nadelen van deze geroemde gedeïdeologiseerde houding scherp aan de oppervlakte gebracht. Geconfronteerd met onvermoede en onverhoopte ontwikkelingen, zoals op het terrein van misdaad en geweld, is er de afgelopen paar jaren in toenemende mate een zekere radeloosheid te bespeuren. Soms met een paniekerig teruggrijpen naar de restanten van houvast in de voormalige ideologie of levensbeschouwing als gevolg. Maar uiteindelijk was het resultaat een verandering van sfeer in de media en in de politiek als het gaat om ‘de politie’. De veranderde houding van ‘de publieke opinie’ ten gunste van de politie is hier de oorzaak van. Het verschil tussen schijn en werkelijkheid, oorzaak en gevolg, zal in deze studie vaak aan de orde komen. Veel journalisten denken dat de 16 Politie en media
  • 17. Inleiding media de zeilen zijn die het schip vooruit jagen. In werkelijkheid stuwt niet het zeil maar de wind het schip voorwaarts: de wind van de publieke opinie en de wind van de hongerig klapperende kassalade. Toch zal geen mens betwisten dat de media in veel gevallen erg machtig zijn. Als economische branche vormen de media allang een van de grootste industrieën. Maar ook in politiek, sociaal en psychologisch opzicht is het belang der media alleen maar toegenomen. Met het wegvallen van partij, kerk en sociale kaders vormen de media voor veel burgers behalve de belangrijkste bron van informatie ook een belangrijk richtsnoer voor hun oordeel over zaken en personen. Dit is een structurele ontwikkeling. Weinigen zullen ook betwisten dat de media in sommige specifieke gevallen wel héél machtig zijn, zoals bij schandalen, incidenten en misdrijven, en kleinere of grotere crises in de politiek of het bestuur. En de feitelijke technologische ontwikkeling lijkt voor geen enkele tegenspraak vatbaar. Oude media zijn gebleven, nieuwe media zijn erbij gekomen, zoals internet met zijn tomeloze mogelijkheden tot informatie en communicatie tussen alles en iedereen – en met zijn nog weinig begrepen maar toch steeds zichtbaarder potentie tot machtsvorming van boze dan wel eensgezinde burgers. Om nog maar te zwijgen over de opkomst van de nog sterker gepersonaliseerde mogelijkheden van de mobiele telefoon. Ook deze media hebben grote gevolgen – risico’s en kansen – voor de politie, zowel wat de opsporing betreft, als de interne en externe communicatie. We leven in een mediamaatschappij waarin de macht van de massamedia niet alleen stand heeft gehouden, maar naakter, bruter is geworden. Een macht die in veler ogen dermate is toegenomen dat de media in ‘de parade der machten’ almaar verder naar voren zijn opgerukt: voorbij de zesde macht der organisatie- en adviesbureaus, voorbij de vijfde macht der lobby- en actiegroepen, voorbij de vierde macht der ambtenaren. Sommigen menen zelfs dat de media zelfs de drie machten waarop de moderne representatieve democratie is gefundeerd – de trias politica – in invloed zijn gepasseerd. Volgens de bedenker ervan, Montesquieu, moest dit systeem van checks and balances tirannie voorkomen: de wetgevende, uitvoerende en controlerende macht dienden gescheiden te blijven en elkaar te controleren, waarbij alle andere controleurs van ondergeschikt belang zouden zijn. Politiewetenschap nr. 21 17
  • 18. Inleiding 3 Politie en media als instituten De stelling is te verdedigen dat ‘de politie’ en ‘de media’ de belangrijkste instituties zijn geworden in de beleving van het dagelijkse leven van de burger. Dit leidt soms tot hyperbolische eisen aan die instituties en tot even hyperbolische uitspraken over de macht ervan. De werkelijkheid is dat het huidige netwerk van machten geen grote mate van stabiliteit kent, ook al zijn er patronen in de ontwikkeling van het geheel te ontwaren. Deze zullen uitvoerig aan de orde komen in dit boek. Als het gaat om de strijd tussen de diverse belangengroeperingen – politiek, politie, bestuur, OM, belangenorganisaties, gedupeerde burgers, advocaten, ‘de publieke opinie’ en de media – dan is de enige uitspraak die zonder slagen om de arm gedaan kan worden deze: het spel wordt harder gespeeld. Des te noodzakelijker is het om aandacht te schenken aan de ontwikkelingen in de structurele relatie tussen politie en media. Wie bepaalt ‘de agenda’? Welke soorten nieuws brengt de politie naar buiten? En welke soorten nieuws brengen de media met name? Welke rol speelt de politievoorlichting bij de journalistieke nieuwsgaring? En welke rol dicht de politie de onafhankelijke media toe, vergeleken met de andere voorlichtingsmethoden die haar ter beschikking staan bij handhaving, opsporing en imagoverbetering, zoals direct contact met de burger – op straat, op open dagen e.d. – of indirect contact – via internet, call centers, brochures en gecontroleerde mediaoptredens zoals bij Opsporing Verzocht? Cruciaal is de organisatie en de inhoud van de relatie tussen politie en media, structureel én vooral ook bij incidenten en crises. Het belang van deze relatie geldt niet alleen het imago van een organisatie als de politie, hoe belangrijk dit ook is geworden in deze tijd van beeldvorming. Een goed imago levert meer op dan een gevoel van warmte, trots en zelfrespect. Het is, met name voor organisaties als de politie, van levensbelang voor de uitvoering van de operationele taken waarvoor ze zich gesteld ziet. Legitimiteit berust deels op imago, en zonder beide wordt het werken moeilijk. Nee, het belang geldt ook in breder verband: zonder goede relatie geen waarborg voor goede informatie aan en van de burger. In een democratie is en blijft de taak van waakhond een fundamentele taak van de journalistiek. De onderlinge relatie tussen politie en media is veranderd, harder geworden, maar ook complexer. Dit heeft te maken met de groeiende 18 Politie en media
  • 19. Inleiding druk waaraan de politie bloot staat, van de kant van met name ‘de politiek’, ‘het publiek’, het OM en de advocatuur. Het heeft ook te maken met de veranderingen binnen de media. De uitspraak ‘de krant is een meneer’ gaat steeds minder op. Zeker bij televisie, maar ook bij kranten en radio, is er steeds minder sprake van een ‘meneer’ die aanspreekbaar is, ook al heeft de groeiende kritiek op de media vele meneren inmiddels voorzichtig gemaakt. En de angst voor de rechter niet minder. Het probleem vanuit de politie gezien, is onder andere dat de media zich steeds meer als platform presenteren waarop iedereen, voor eigen rekening, wat kan roepen. En dit is een vrijheid waarvan niet alleen gedupeerden dankbaar gebruik maken, maar ook strafrechtadvocaten. Politie en media mogen tot de machtigste en belangrijkste instituties zijn uitgegroeid, beide voelen zich in toenemende mate onzeker. Het wisselbad van macht en machteloosheid, ten opzichte van elkaar en de andere partijen op het gebied van misdaad en veiligheid, is hier debet aan. Het instabiele karakter van de huidige mediamaatschappij versterkt deze onzekerheid in hoge mate. Want de huidige mediamaatschappij is behalve een imagotheater ook een emotiecultuur geworden, zeer vatbaar voor het virus van ‘het schandaal’, the moral panic, ‘de crisis’ en ‘de hype’, of hoe we deze aanvallen van collectieve en vaak kortstondige mediaopwinding ook willen noemen. Hoezeer moralisten en cultuurpessimisten deze ontwikkeling ook luidkeels betreuren, belangrijker is dat deze instabiliteit wezenskenmerk lijkt te zijn geworden van de huidige mediamaatschappij. Des te belangrijker is het voor politie en media om meer kennis op te doen over de werking en effecten van dit soort gevallen van collectieve mediaopwinding. Want het is zoals een voorlichter zei: “Als de beeldvorming bij een incident verkeerd uitpakt, dan is dat niet slechts een kras op ons blazoen, dan worden we een jáár teruggeworpen in ons imago.” 4 Inhoud studie Het voorliggende boek wil meer inzicht verschaffen in die spanningsvolle relatie tussen politie en media. Wij zullen op basis van het verrichte onderzoek analyseren en conclusies trekken. De conclusies zullen uitmonden in aanbevelingen die er hopelijk toe kunnen bijdragen dat de bestaande misverstanden en miscommunicatie tussen politie en media verminderen. Politiewetenschap nr. 21 19
  • 20. Inleiding De Commissie Politie en Wetenschap heeft diverse onderzoeken laten uitvoeren naar aspecten van de Nederlandse politie. Maar in Nederland is niet eerder een breed onderzoek gedaan naar de relatie tussen de politie en de media. Ook literatuur over deze relatie ontbreekt nagenoeg. Vergeleken met de hoeveelheid onderzoek en literatuur die in andere westerse landen – zoals Amerika, Engeland en Duitsland – voorhanden is, steekt Nederland in dit opzicht bleekjes af. Natuurlijk, de hoeveelheid boeken over misdaad, OM en politie is de afgelopen tien, vijftien jaar sterk gegroeid, in gelijke tred met de opmars en populariteit van misdaad en politie op televisie, in misdaadprogramma’s en, nog meer, in de fictie van de Krimi’s. Het betreft hier boeken van (misdaad-)verslaggevers over het werk van de politie of OM, over de zware criminaliteit of over incidenten, zoals ontvoeringen, moorden en gijzelingen. Deze boeken zijn vaak van hoog journalistiek niveau, maar raken de relatie tussen politie en media hooguit terloops aan. Deze studie voorziet dus in een leemte. Maar duidelijk mag zijn dat, door het ontbreken van studies over deelaspecten van de relatie politie-media, deze studie niet meer dan het begin kan zijn van een onderzoeksprogramma naar de verschillende media-aspecten van het functioneren van de politie in de huidige high tech mediamaatschappij. In de relatie tussen politie en media onderscheiden we verschillende thema’s die in de navolgende hoofdstukken aan de orde komen. De plaats van politie en media in de samenleving heeft de afgelopen jaren een grote verandering ondergaan. Deze veranderingen zullen uitgebreid worden beschreven en geanalyseerd. We hebben een combinatie van onderzoeksmethoden gebruikt om een zo optimaal mogelijk beeld te krijgen van de ontwikkelingen van de afgelopen jaren en de huidige situatie in die spanningsvolle relatie politie-media. Internationale literatuur heeft het kader geschapen voor de aanpak, en ontwikkelingen en dilemma’s aangereikt die tijdens het onderzoek konden worden getoetst aan de Nederlandse praktijk. Die praktijk is op drie manieren getoetst. Ten eerste hebben we een inhoudsanalyse uitgevoerd aangaande de berichtgeving over de politie in twee landelijke kranten. De resultaten hiervan laten verrassende uitkomsten zien ten aanzien van het imago van de politie, en ook van de vraag ‘wie bepaalt de agenda’? Ten tweede hebben we een enquête gehouden onder de woordvoerders en voorlichters van alle 26 politiekorpsen in Nederland. Doel was te achterhalen wie zij zijn, wat zij doen, en wat zij vinden van de relatie met de relevante 20 Politie en media
  • 21. Inleiding partners, met name de media. Het resultaat is minder eenduidig, een bewijs dat ‘de politie’ niet bestaat, en dat er diverse stromingen bestaan binnen de Nederlandse politie, zowel ten aanzien van de communicatiestrategie en voorlichting (corporate of guerrilla?), als over doel en taak van de politie in de maatschappij zelf (‘strak in het pak’ of ‘wijkzuster’). Ten derde zijn gesprekken gevoerd met circa 50 mensen uit de volgende sectoren: korpsleiding, korpsbeheerders, voorlichters, journalisten en programmamakers, het Openbaar Ministerie en de advocatuur. Sommigen van hen zullen rechtstreeks worden geciteerd, de meningen van anderen zullen, op hun verzoek, off the record opgevoerd worden. Van hun op- en aanmerkingen over de concepttekst is dankbaar gebruik gemaakt. De begeleidingscommissie, bestaande uit drs. F. Vlek, drs. E. Florax, A. Maandag, A.J. Brink-Grootoonk, M. Zeevenhoven en H. Taselaar, heeft in diverse vergaderingen de voortgang besproken en suggesties gedaan, en de voorliggende tekst goedgekeurd. Tot slot zij opgemerkt dat wij bij de totstandkoming van dit boek onze eigen kennis en ervaring met respectievelijk de media en de politie goed hebben kunnen gebruiken. De grote dank aan de kritische maar positieve bijdragen van de begeleidingscommissie, de even grote dank aan de onderzoeksassistenten drs. Tessa van Beek en drs. Martijn Kleppe, en de dank aan het bureau BackBone Research & Marketing Support en, last but not least, eindredacteur Mandy Smit en corrector Sjoerd Hesselbach laat onverlet dat wij als enigen verantwoordelijk zijn voor de inhoud van de studie – inclusief de conclusies en aanbevelingen – die voor u ligt. Prof.dr. Henri Beunders, Prof.mr.dr. Erwin Muller, oktober 2004 Politiewetenschap nr. 21 21
  • 22. 22 Politie en media
  • 23. deel I Maatschappij, media en politie
  • 24. 24 Politie en media
  • 25. Media en maatschappij 1.1 1 Angst voor de massa en massamedia De betekenis en macht die geleerden, cultuurkenners, zielzorgers en autoriteiten toekennen aan de media en de hoeveelheid intellectuele aandacht die wordt besteed aan het doorgronden van de betekenis van die media voor de moderne maatschappij, staan in een bizarre verhouding tot elkaar: als de reus tot de dwerg. Als het gaat om de betekenis en macht worden de media reusachtige proporties toegedicht. Een graag gebezigde term is die van ‘de media als moloch’, de afgod aan wie alles ten offer moet worden gebracht, die alles verslindt wat op zijn weg komt, maar wiens honger nooit wordt gestild. Echter, de studies die verricht zijn naar de relatie tussen media en maatschappij in Nederland, reiken nog niet tot de enkels van die dwerg. Zeker, studies naar mediabeleid, studies naar de verspreiding en consumptie van media – wie luistert, leest, ziet wat en hoe lang – zijn er legio, en zij zijn doorgaans van goede, gedegen kwaliteit. Evenals studies naar de geschiedenis van een krant, een omroep of een programma. En sombere, in zeer algemene termen gestelde pogingen tot het stellen van een ‘diagnose van het lijden van onze tijd’ als gevolg van de massamedia, bestaan al sinds Johan Huizinga ermee begon in zijn In de schaduwen van morgen uit 1935. Maar de studie die causale verbanden opspoort en blootlegt tussen ontwikkelingen in de media en in de maatschappij, of juist de verwevenheid aantoont tussen mediaontwikkelingen en de ontwikkelingen in sociaal, politiek en bestuurlijk-organisatorisch opzicht, staat in Nederland nog in de kinderschoenen. Belangrijke reden voor dit falen van de wetenschap om tot een sociale theorie van de media te komen, is de afkeer van die moderne massamedia. Die argwaan en afkeer komen voort uit ‘de angst voor de massa’ die het denken over de audiovisuele media in vrijwel de hele twintigste eeuw heeft gedomineerd. Deze angst leidde overal in Europa tot een grote en succesvolle politieke inspanning om die nieuwerwetse media – radio, film, televisie – onder staatscontrole te krijgen. Na de Tweede Wereldoorlog werd de angst dat die media in verkeerde handen zouden vallen, gelegitimeerd door de ervaringen met de nazi- en sovjetpropaganda. Duitse sociPolitiewetenschap nr. 21 25
  • 26. deel I Maatschappij, media en politie ale wetenschappers die nazi-Duitsland waren ontvlucht en, deels in ballingschap, die Frankfurter Schule vormden – Adorno, Horkheimer, Marcuse – leverden tezamen een massieve kritiek op wat zij ‘de cultuurindustrie’ doopten. Zij kregen een dermate grote aanhang dat hun negatieve waardering van ‘de massamedia’, als zijnde machtige manipulatoren van de onwetende massa, tot op de dag van vandaag dominant is gebleven in universitaire kringen. 1.2 Respect voor ‘de krant’ De negatieve waardering voor de moderne massamedia staat in schril contrast met de bijna louter positieve waardering die de pers vanaf de opheffing van belasting op het uitgeven van kranten (het gesmade ‘dagbladzegel’) in 1869 tot heden heeft ondervonden van de kant van de burgerij, de overheid en de wetenschap. De krant en ‘het betere tijdschrift’ zijn vanaf de eerste helft van de negentiende eeuw – Algemeen Handelsblad (1828), de Nieuwe Rotterdamsche Courant (1844), De Gids (1837) – hét communicatiemedium geworden van ‘het weldenkende deel der natie’. En dat is zo gebleven. Het merkwaardige aan het gemis aan sociale theorieën over de maatschappelijke betekenis van de audiovisuele massamedia van de twintigste eeuw is, dat iedereen het eens is over de doorslaggevende rol die de krant heeft gespeeld in de opkomst en transformatie van ‘het publieke domein’ in de achttiende en zeker de negentiende eeuw, en van ‘de moderne burger’. Een van de jongste leden van de Frankfurter Schule, Jürgen Habermas, behandelde in 1969 in een monumentale studie de ontwikkeling van de media – vooral van de krant – als integraal onderdeel in de vorming van de moderne maatschappij. Hij betoogde dat de verspreiding van gedrukte teksten in het vroegmoderne Europa een cruciale rol speelde in de overgang van absolutistische naar liberaal-democratische regeringen. En dat de uiting en vormgeving van een kritische publieke opinie via deze gedrukte media een vitaal kenmerk vormden van het moderne democratische leven.1 Deze analyse was vanzelfsprekend een welkome bevestiging van het 1 Thomspon (1995), p. 7; vgl. Van Vree (2000). 26 Politie en media
  • 27. 1. Media en maatschappij idee dat gevestigde elites toch al van zichzelf hadden: dat zij niet alleen de oprichters van de moderne burgerlijke democratie waren, maar ook de terechte hoeders ervan. En dat ‘het publieke domein’ geheel terecht samenviel met de verspreidingskring van de regionale of landelijke kwaliteitskrant. Wie daarbinnen het woord voerde, had recht van spreken. Wie daarbuiten het woord eiste, werd al snel als oproerkraaier of ‘zedenbederver’ gebrandmerkt. Deze schets geldt voor menig West-Europees land, en zeker voor Nederland. 1.3 De verzuiling In ons land zijn de argwaan jegens, de afkeer van en de angst voor ‘de massa’ en ‘de massamedia’, vergeleken met de ons omringende landen, in de hele vorige eeuw misschien wel het grootst geweest. Dit is deels te verklaren door de typisch Nederlandse historische ontwikkeling dat de opkomst van de massamaatschappij en de massamedia precies in dezelfde periode viel als de opkomst van de sociale emancipatiebewegingen, die van de sociaal-democratie en de confessionelen. Deze bewegingen waren zich uitermate scherp bewust van de macht van de media van de liberale en conservatieve burgerij, die zij bestreden om haar immorele en onrechtvaardige opvattingen en politieke beleid. Zij waren zich bewust van wat de Amerikaan A.J. Liebling ooit zei: “Freedom of the press is guaranteed only to those who own one.”2 Eenmaal zelf in het bezit van een pers, gebruikten de opkomende politieke bewegingen de krant om twee doelen te bereiken. Het eerste was de aanval op het grootburgerlijke regeringsbastion kracht bij te zetten. Het tweede was de eigen aanhang (en potentiële aanhang) te mobiliseren en te disciplineren. Gevoegd bij de enorme onderlinge concurrentie tussen deze bewegingen, die vanaf de Eerste Wereldoorlog tot zuilen werden uitgebouwd, leverde deze houding ten aanzien van de media een paradoxaal beeld op, waarover sommigen zich nog altijd verwonderen. Enerzijds deelden de leiders van de zuilen de burgerlijke afkeer van alles wat naar massamedia riekte, zeker toen ze de regering vormden en daarmee zelf de status van hoogwaardigheidsbekleders hadden verworven. 2 Kluger (1986). Politiewetenschap nr. 21 27
  • 28. deel I Maatschappij, media en politie Anderzijds zagen ze de propagandistische waarde van de media nog altijd goed in. En bovenal beseften ze dat die nieuwe media als radio en film, en later televisie, niet aan ‘de ander’ – eigenlijk iedereen die niet tot de eigen zuil behoorde – overgelaten mochten worden. Het resultaat was een gecoördineerde en geslaagde poging om die nieuwe massamedia onder staatscontrole te krijgen, hetgeen haar beslag kreeg in het Zendtijdenbesluit van 1930, een gevolg van een monsterverbond tussen de confessionele regeringspartijen en de oppositionele sociaaldemocraten. Zij verdeelden ‘de ether’ goeddeels onder elkaar en lieten slechts een kwart van de zendtijd op de radio over aan de grootste omroep uit die tijd, de AVRO. Dat was immers een neutrale, ‘heidense’, omroep van de burgerlijke middenklasse, die bovendien de pretentie had een nationale omroep te willen worden. Dat was twee keer verkeerd. Dit mag een te lange historische uiteenzetting lijken. Maar voor een goed begrip van de huidige mediamaatschappij is het van onmisbaar belang te beseffen hoe lang en met welke enorme politieke kracht het ‘mediabestel’ in Nederland geformeerd is en in leven is gehouden door dit monsterverbond van confessionelen en sociaal-democraten. Namelijk tot 1989, het jaar waarin niet alleen in Berlijn de Muur viel, maar waarin ook de door ‘Den Haag’ geplaatste schotten om ‘het bestel’ in Hilversum omvergehaald werden. Niet vanwege een of ander ‘voortschrijdend inzicht’ in politiek Den Haag, maar vooral onder druk van het publiek, de commercie en bovenal van Europese regelgeving.3 1.4 De ‘dekolonisatie’ van de burger De ‘neutrale’ media – die tot geen zuil wilden behoren – zoals De Telegraaf en de AVRO, hebben zich altijd verzet tegen de politieke verzuiling van Nederland. Zij hebben zich, ook in die zestig jaar durende dominantie van confessionelen en sociaal-democraten, voortdurend verzet tegen de betutteling en bevoogding van de media door de overheid: soms zelfs met de val van een kabinet tot gevolg, zoals in 1965 met het kabinet-Marijnen gebeurde. En ook al werden de ‘zuilloze’ media in feite buiten ‘het publieke domein’ geplaatst – beter gezegd: buiten het publieke debat dat 3 Vgl. Beunders (2001), p. 301-320. 28 Politie en media
  • 29. 1. Media en maatschappij werd gevoerd door het nieuwe ‘weldenkende deel der natie’ – zij wonnen al die decennia aan populariteit. Er kwam een groeiende schare burgers die zich evenmin door leiders van partij of kerk wensten te laten voorschrijven wat te lezen, waarnaar te kijken, wat te vinden, en waarop te stemmen. Deze ‘dekolonisatie van de burger’ (H.J.A. Hofland) raakte vanaf de jaren vijftig in een stroomversnelling. De burgers en de media bleken nog moeilijker onder controle te houden dan de leiders van de zuilen toch al dachten. Hierbij moet niet worden vergeten dat de verzuilde leiders van de jaren vijftig, zeker van hun politieke dominantie, er zelf ook van overtuigd raakten dat de teugels van de groepsdisciplinering gevierd konden, ja, moesten worden, ten behoeve van de verdere individuele ontplooiing van de leden van de eigen zuil. Ieder streven was immers gericht op emancipatie, op gelijkwaardigheid aan ‘de zindelijke burgerheren’ en op het ‘ingroeien’ als volwaardig lid in de natiestaat Nederland. Daarnaast waren de elites door het rampzalige decennium van de jaren veertig – een verwoestende oorlog, Indië verloren – ervan overtuigd geraakt, zoals historicus James Kennedy heeft aangetoond, dat ‘modernisering’ van het land geboden was, vooral in economisch en buitenlandpolitiek opzicht. Industrialisatie was nodig, en afscheid nemen van de pacifistisch getinte neutraliteitspolitiek eveneens.4 Maar, zoals zo vaak, gold ook hier de praktijk van de goede bedoelingen en de averechtse gevolgen. De principiële koerswending richting ‘moderne toekomst’ heeft de weg vrij gemaakt voor de door de confessionele en sociaal-democratische elites zo verafschuwde ‘Amerikanisering’ van onze cultuur, die uiteindelijk ook daadwerkelijk is uitgemond in de ‘Amerikaanse toestanden’ die vanaf de jaren negentig steeds zichtbaarder werden in de economie, de samenleving zelf, en in ‘de media’.5 1.5 Het belang en het effect van ‘de media’ Welke rol spelen de media nu in dit langdurige proces van individualisering en steeds mondiger wordende burgers? Dit is een veel complexere 4 Kennedy (1995). 5 Vgl. Huygen (2000). Politiewetenschap nr. 21 29
  • 30. deel I Maatschappij, media en politie vraag dan menigeen veronderstelt. Het is zeker niet zo dat er veel bewezen argumenten zijn om de heden ten dage populaire stelling te staven: ‘de media hebben de schuld’ van de verloedering, de doorgeschoten individualisering, de fatale afname van sociale cohesie en de toegenomen ‘hufterigheid’ van die mondige burger in het publieke domein. De roep om meer controle over de media, zoals die wordt geuit in diverse recente rapporten over de vermeende negatieve invloed die de media, met name de commerciële zenders, op politiek, maatschappij en moraal zouden uitoefenen, is met weinig empirische gegevens onderbouwd. De bezorgde aandacht richt zich eenzijdig op de bekende massamedia als afzonderlijke categorie. Ze zouden daarentegen bestudeerd dienen te worden als onderdeel van de trage en soms revolutionaire ontwikkelingen van het geheel van álle communicatiemedia: dus ook van de transportmiddelen als fiets, auto, vliegtuig, fax, computer en internet. En zelfs dan beschikken we nog maar over een deel van ‘het verhaal’ van de maatschappelijke ontwikkelingen die we nog altijd – helaas – met het containerbegrip ‘modernisering’ of ‘de moderne tijd’ samenvatten. Alle communicatiesystemen hebben hun eigen sociale of bestuurlijke gevolgen. Zo kunnen de effecten van de komst van de telefoon, auto en de computer wel eens even ingrijpende gevolgen hebben gehad voor de structuur en organisatie van ‘de moderne samenleving’ als de komst van radio en televisie. Men kan bijvoorbeeld zeggen dat de komst van radio, en veel later televisie, wel de doorbraak heeft betekend voor de overgang van de goeddeels geïsoleerd van elkaar levende zuilen naar ‘het nationale’, en van Nederland ‘een praatgemeenschap’ heeft gemaakt. Maar voor hetzelfde geld kan men zeggen dat zonder de langdurige dominantie van die zuilen deze doorbraak naar ‘het nationale’, die begon met De Telegraaf, Het Leven en de AVRO, al vóór de oorlog een grotere snelheid zou hebben gekregen. 1.6 De moderne burger: mondiger of moeilijker Als we komen tot de bespreking van de rol van de media in de maatschappij, dan is het besef op zijn plaats dat in vele theorieën over de modernisering van de samenleving de massamedia niet of nauwelijks figureerden. En dat zelfs in de afgelopen jaren nog belangwekkende studies verschenen, zoals over het nationalisme, waarin de woorden radio en televisie helemaal 30 Politie en media
  • 31. 1. Media en maatschappij niet voorkomen.6 Dat geldt eveneens voor de studie van filosoof en cultuursocioloog Gabriël van den Brink uit 2002: Mondiger of moeilijker? Een studie naar de politieke habitus van hedendaagse burgers. In zijn boek over de veranderingen in gedrag, werkzaamheden, opvattingen en politieke participatie van de drie types burgers die hij onderscheidt – de bedrijvige, berustende en bedreigde burgers – komt het woord media ook niet voor als autonome factor die van invloed is geweest op de veranderingen sinds begin jaren zeventig, als onderdeel van de komst van ‘de informatiemaatschappij’. Niettemin zegt Van den Brink behartigenswaardige dingen over de gevolgen van die mondiger geworden burger: waaronder de verbreding van het politieke domein. Naarmate de mondigheid toenam, nam tegelijk het aantal onderwerpen waarover politiek beleid gemaakt moest worden, voortdurend toe. Deels kwamen ze voort uit problemen in de private sfeer (vrouwenemancipatie, seksuele minderheden, consumentenbelangen e.d.), deels uit problemen die burgers zich op morele gronden aantrekken (mensenrechten, milieubehoud, bestrijding van armoede, kinderarbeid en vrouwenhandel). De persoonlijke betrokkenheid bij dit soort thema’s was groot. Dat zou, aldus Van den Brink, niet problematisch zijn als men zijn idealen via bestaande organisaties of kanalen nastreefde (politieke partijen, verkiezingen e.d.). Dat was steeds minder het geval. Het actiewezen bloeide. Daardoor nam niet alleen de reeks van vraagstukken toe, maar ook het aantal politieke spelers. De overheid kon niet meer volstaan met een gesprek met het parlement of de erkende belangengroeperingen zoals werkgevers en werknemers. De ontwikkeling naar meer spelers en meer aanspraken compliceerde het beleidsproces aanzienlijk. Het toegenomen belang dat gehecht wordt aan ‘imagopolitiek’, vloeit hier rechtstreeks uit voort: de leiders hebben voor al die eisende grepen niet meer tijd dan een vluchtige, vaak eenmalige, ontmoeting. Maar die wordt dan wel gefilmd. Op hun beurt beschikken de eisende groepen over veel meer tijd om op radio en tv hun verhaal te doen. Deze machtsverschuiving betekent dat die kortstondige media performance van de leiders zeer overtuigend moet zijn. De behoefte aan totale controle over die performance is daarom begrijpelijk. Een andere complicatie voor beleidsmakers is de noodzaak om nadrukkelijker en opener verantwoording af te leggen voor standpunten en beslui- 6 Vgl. bijv. Gellner (1995). Politiewetenschap nr. 21 31
  • 32. deel I Maatschappij, media en politie ten. Van den Brink stelt terecht vast dat dit komt doordat de overheid niet langer een kennismonopolie heeft. Via de media kunnen leugens of onjuistheden gemakkelijker aan het licht komen. “Maar behalve door media weet elke bestuurder zich omringd door kritische professionals. Die zijn veel beter op de hoogte van hun vakgebied dan beleidsmakers en voeren graag bezwaren of tegenargumenten aan. Mede daardoor stelt het primaat van de politiek steeds minder voor. Een dergelijk primaat is alleen te handhaven als persoonlijke, morele, politieke of anderszins normatieve overwegingen meer gewicht hebben dan de rationele argumenten van een professional.”7 Voor de relatie tussen politie en media is dit citaat van belang. Als we de woorden ‘bestuurder’ en ‘politiek’ vervangen door het woord politie of korpschef, raken we met bovenstaande een deel van het probleem waarvoor ‘de politie’ zich vaak gesteld ziet. Voor de media, met name de kranten, geldt in toenemende mate hetzelfde probleem van het afnemende kennismonopolie. Door het hogere onderwijsniveau, de steeds specialistischer hobby’s van veel mensen, de toegenomen politieke betrokkenheid, en natuurlijk door internet en het bijbehorende mailverkeer, is de kennisvoorsprong van menig redacteur op de lezer zienderogen afgenomen. Al met al is het moderne politieke proces als gevolg van die groei in aanspraken en spelers een veelgelaagd geheel geworden. Beleidsmakers staan voor de permanente opgave om nieuwe aanspraken in overeenstemming te brengen met reeds gevestigde. En de traditie van consensus, het beroemde ‘polderen’, leidde ertoe dat het resultaat een uitdijend woud werd van regels, afspraken en compromissen waarvan het ambtelijke, bureaucratische, technocratische karakter soms bijna kafkaiaanse vormen begon aan te nemen. Voorlichting, pr en media spelen in dit proces een eigen rol. Want zonder de media is het niet mogelijk het beleid te verduidelijken en de betrokkenen te bereiken. 1.7 Individualisering en nieuwe medialoyaliteiten Intussen hebben we met dit alles nog geen antwoord op de vraag waaróm die burger in de afgelopen decennia dan ‘mondiger en moeilijker’ is 7 Van den Brink (2002), p. 128. 32 Politie en media
  • 33. 1. Media en maatschappij geworden. Is het traject naar een assertieve levensstijl alles overheersend – met als kernwoord emancipatie, ook tussen man en vrouw – en hebben de media hierin slechts een ondergeschikte en misschien zelfs wel remmende of sturende rol gespeeld? Of hebben de media en de reclame de behoeftebevrediging van bepaalde verlangens in een dergelijke mate gestimuleerd dat we wel degelijk kunnen concluderen dat de moderne burger zijn identiteit, zijn (a)sociale gedrag en zijn politieke stellingnamen goeddeels ontleent aan de oude en nieuwe media? Het antwoord is dat beide stellingen waar zijn, zeker als we onderscheid maken tussen structuur en incident. Structureel is het proces van individualisering al een paar eeuwen aan de gang. De media hebben dit proces mede mogelijk gemaakt. Eerst door het boek of de roman, in de twintigste eeuw door de telefoon en televisie. Maar deze structurele individualisering heeft de sterke drang tot groepsvorming – huwelijk, relatie – niet weggenomen. Ondanks deze structurele neiging tot individualisering, zijn er vaak periodes geweest waar de tegenbeweging naar het collectieve meer zichtbaar was. Wat sinds de jaren tachtig en vooral negentig opvalt, is de groeiende drang van zowel de individueel ingestelde burgers als de in traditionele verbanden levende burgers om steeds liever collectief bezig te zijn: allemaal kijkend naar hetzelfde tv-programma of buiten deelnemend aan een of andere megamanifestatie van de moderne cultuur- en vrijetijdsindustrie. Het verlangen naar veiligheid, warmte en geborgenheid is de afgelopen jaren telkenmale schoksgewijs wakker geschud. Zo valt het debat over ‘normen en waarden’ dat door de christelijke premier Balkenende sinds zijn aantreden in 2002 is aangezwengeld en waarover op zijn verzoek inmiddels een WRR-rapport – Waarden, normen en de last van het gedrag – is verschenen, samen met een tijd van herbezinning op de waarde van de (eigen) groep. Of dit nu de vriendenkring, het gezin, de familie, de straat of ‘de natie’ is. De fysieke individualisering heeft geen gelijke tred gehouden met de mentale individualisering. Steeds meer burgers voelen zich mentaal sterker verbonden met bepaalde individuen of groepen met wie ze alleen via de radio, televisie of internet in contact staan, dan met sommige buren of familieleden. We kunnen concluderen dat bovenop de aloude bestaande intieme banden tussen mensen er een patroon van virtuele groepsvorming is ontstaan, met passies en loyaliteiten die soms niet minder krachtig zijn dan die in real life. Politiewetenschap nr. 21 33
  • 34. deel I Maatschappij, media en politie De behoefte aan fysieke veiligheid en vrijheid en de bevrediging van materiële en geestelijke verlangens vormen de mysterieuze combinatie die bepaalt wat de mens drijft. En niemand weet precies het recept van de ideale combinatie van veiligheid, vrijheid en materiële en geestelijke verlangens om de ideale mondige en verantwoordelijke burger te kweken. Behalve door individueel bepaalde genetische aanleg, wordt de uitkomst sterk bepaald door de maatschappelijke omstandigheden. De media spelen een belangrijke rol bij het verbeelden van de gewenste ideale combinatie. 1.8 Belang en effect van de (nieuwe) media:‘the silent majority’ wordt mondig Ook al bestaat over het effect van de media op de moderne mens en zijn gedrag in het algemeen weinig tot geen overeenstemming onder wetenschappers, zeker is dat het belang van media zoals radio, televisie, films, internet, interactieve games voor de individuele mens in de afgelopen decennia alleen maar is toegenomen. De feiten spreken hier voor zichzelf. Het aantal uren dat mensen per week de krant lezen, neemt drastisch af. Het aantal uren dat mensen voor een beeldscherm (tv/pc) zitten, neemt elk jaar verder toe, tot ver boven de drie uur per dag. Het merkwaardige van al deze onderzoeken is overigens dat hierin zelden wordt onderzocht hoeveel uren deze mensen op kantoor of op school voor een beeldscherm zitten, en wat ze daar precies doen. Als het om werk gaat, is het beeldscherm turen blijkbaar vooral nuttig, efficiënt en dus goed. Maar wanneer het gaat om het beeldscherm turen thuis, schemert door veel van die onderzoeken vol stijgende grafieken de aloude zorg over de negatieve effecten ervan op mens en maatschappij. De permanente toegang tot internet op het werk kon wel eens voor een grotere verandering in de informatievergaring en -verspreiding (niet alleen de ‘kantoorhumor’ over politici) hebben gezorgd dan al dat beeldscherm turen thuis, en bijgevolg ook voor de houding ten aanzien van autoriteiten en nieuws. De sms-cultuur versterkt alleen maar de trigger happy-attitude van ‘reageer nu, denk later’. Het is inmiddels een wetenschappelijk cliché dat ‘veelkijkers’ armer, banger en depressiever zijn dan zij die weinig kijken. En dat de ‘veelkijkers’ logischerwijs minder tijd hebben om in het maatschappelijke, politieke of culturele leven te acteren dan de weinigkijkers. En dat de laatstge- 34 Politie en media
  • 35. 1. Media en maatschappij noemden uit sociale activiteiten buitenshuis veel bevrediging putten. Deze groep, die Van den Brink de ‘bedrijvige burgers’ noemt, is in weerwil van de opmars van al die media omvangrijker dan ooit.8 De vraag waaróm de meerderheid liever thuis zit, en slechts een minderheid liever buiten actief is, wordt in deze empirische studies zelden afdoende beantwoord. Veel belangrijker voor onze studie is echter de revolutionaire verandering in het gedrag van ‘de mediaconsumenten’. Voorheen golden zij als the silent majority waarover menigeen zich alleen in tijden van verkiezingen bangig afvroeg wat zij zou stemmen. Het in alle opzichten enorme verschil met de huidige mediaconsumenten is dat die niet meer stil zijn, en ook niet meer passief. Dankzij nieuwe formats als de phone-in radioshow en tv-spelletjes, en dankzij de nieuwste communicatiemiddelen als internet, mail en sms, zijn de leden van die silent majority plotseling in staat om hun mening te geven, en wel direct, live in de uitzending. Of hun klachten of woede naar de omroep, partij of krant te mailen of sms-en. Alleen al door feitelijke demografische en sociale veranderingen – niet werken, korter werken, minder kinderen, langer leven – hebben veel mensen simpelweg meer tijd om zich met de media en de politiek bezig te houden. De effecten hiervan zijn soms enorm en hebben politici en politie de afgelopen jaren meermalen in paniek gebracht. Het eerste signaal dat de toegenomen elektronische actiemogelijkheden aankondigde, was de zogeheten ‘fax-revolutie’. In reactie op het neerslaan van de studentenopstand op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking werd het Chinese bewind in 1989 bestookt met protestfaxen. De revolutie mislukte overigens. De hooligans van Ajax en Feyenoord die in september 1998 langs de snelweg bij Beverwijk met elkaar in gevecht raakten – met een dodelijk slachtoffer – hadden deze ‘oorlog’ via internet afgesproken – zonder dat de politie ervan op de hoogte was. De Feyenoord-fans en hooligans van andere clubs die na het kampioenschap van Feyenoord in 1999 de Coolsingel in een slagveld veranderden, gebruikten intensief de gsm om afspraken te maken. In 2002 ging het hele internetverkeer in Italië plat als gevolg van het bombardement aan woedende mails over ‘de partijdige scheidsrechter’ bij het WK voetbal in Korea/Japan. Hetzelfde gebeurde in de jaren negentig al diverse malen met het telefoonverkeer in Nederland, na interactieve uitzendingen zoals 8 Ibidem, p. 130. Politiewetenschap nr. 21 35
  • 36. deel I Maatschappij, media en politie die van de SoundMixShow of Big Brother. De politici op het Binnenhof kregen er voor het eerst mee te maken toen bekend werd hoe nadelig de voorgenomen veiling van de etherfrequenties voor sommige populaire, commerciële radiostations zou uitpakken. Het Binnenhof werd ‘gebombardeerd’ met faxen en vooral e-mails. De politieke mobilisatiecapaciteit van de boze burgers van the silent majority laat dus een ongekende toename zien. De reactie van de bestuurders en politici was er een van radeloosheid. Veel politici gingen er halsoverkop toe over om zo snel mogelijk de interactieve media, zoals websites, te gebruiken om te luisteren naar al die boze burgers, en te antwoorden. “Men communiceert zich op het Binnenhof helemaal kapot”, aldus een voorlichter, “zonder dat men precies weet wát men nu eigenlijk wíl communiceren.”9 Het specifieke gebruik van de nieuwste communicatiemedia vormt geen verklaring voor de universele aantrekkelijkheid van de moderne massamedia in het algemeen, en van de televisie in het bijzonder. We kunnen de aantrekkelijkheid van televisie, als opvolger van het theater, eenvoudig afdoen met Bertold Brechts uitspraak: “Hauptsache, es bewegt sich was.” Men kan ook, met de psycholoog Roy F. Baumeister, zeggen dat de moderne media blijkbaar het best tegemoet komen aan ons verlangen naar fulfillment, permanence, consistency and completeness.10 Hierbij moet worden opgemerkt dat alle zorg over ‘de waan van de dag’ en de zappende kijker die telkens op zoek is naar iets nieuws, een eenzijdige kijk op de audiovisuele media is. Van even groot belang zijn juist de vertrouwdheid, de voorspelbaarheid en de herhaling die zo veel mensen zoeken, via het eindeloos draaien van dezelfde cd, in het volgen van een soap of het diverse malen zien van dezelfde videofilm. Wat geldt voor het kind dat eindeloos hetzelfde wil lezen of zien om greep te krijgen op de verwarrende wereld buiten, lijkt ook meer en meer te gelden voor volwassenen. In voorlichting en reclame is deze wetmatigheid van het effect van de regelmaat en de herhaling meer dan bekend. We zouden ook kunnen zeggen dat het voor veel mensen binnen blijkbaar leuker (of veiliger) is dan buiten. Maar een nuchtere, zo niet cynische vaststelling als deze, miskent de fenomenale kracht en schoon- 9 Vgl. ook Brants (2000). 10 Baumeister (1991). 36 Politie en media
  • 37. 1. Media en maatschappij heid die televisie- of filmbeelden kunnen hebben, of ze nu de realiteit weergeven of bestaan uit gefictionaliseerde of animatiebeelden. De uitspraak van de Amerikaanse geleerde Daniel Boorstin dat technologie is uitgevonden om de werkelijkheid niet aan den lijve te hoeven ondervinden, mag waar zijn, maar de werkelijkheid is in veel gevallen helemaal niet in staat om beelden te produceren die we zien op tv of film. De fictie op tv, zoals de krimi’s over de politie, kan in positieve zin rolmodellen aanleveren waar menigeen behoefte aan heeft. Maar kan ook verwachtingen wekken, zoals over de politie, waar de agenten in het echt niet helemaal en soms helemaal niet aan kunnen voldoen. 1.9 De sociale gevolgen van nieuwe communicatienetwerken Wat ook de precieze aard van de aantrekkelijkheid van de media zoals televisie voor de individuele mens is, belangrijker voor ons onderwerp zijn de sociale gevolgen van de ontwikkeling van nieuwe netwerken van communicatie en informatiestromen. In navolging van Marshall McLuhan en Harold Innis betoogt ook John B. Thompson in The Media and Modernity dat we het instinctief aantrekkelijke idee dat communicatiemedia ertoe dienen om informatie en ‘symbolische inhoud’ door te geven aan individuen, terwijl hun relaties met anderen fundamenteel ongewijzigd blijven, terzijde moeten werpen. Integendeel, het gebruik van media draagt de schepping van nieuwe vormen van actie en interactie in de sociale werkelijkheid in zich. Het creëert nieuwe soorten sociale verbanden en nieuwe manieren om zich met de ander en met zichzelf te verstaan. Media doen veel meer dan alleen maar informatie doorgeven: zij creëren een nieuwe werkelijkheid. Als mensen communicatiemedia gebruiken, treden ze in vormen van interactie die in bepaalde opzichten verschillen van de onder-vier-ogencommunicatie. Tijd en plaats hebben verminderde betekenis. Deze vrijheid schept andere mogelijkheden voor de organisatie van het sociale leven, en ook voor de manieren om macht uit te oefenen. En is eveneens minder gebonden aan fysieke aanwezigheid in een groep, in dezelfde ruimte.11 Het gaat dus meer om de aard van het medium en de sociale gevolgen 11 Thomspon (1995), p. 4. Politiewetenschap nr. 21 37
  • 38. deel I Maatschappij, media en politie ervan, dan om de inhoud van de boodschap. Die conclusie werd al gevat in de inmiddels beroemde – maar veelal verkeerd gebruikte – slogan The medium is the message van de Canadese mediagoeroe Marshall McLuhan in de jaren zestig. McLuhan paste deze, aan zijn mentor Harol Innis ontleende theorie, toe op het elektronische tijdperk. Innis was een van de eersten die de relatie tussen media en communicatie bestudeerden. Zijn theorie was dat verschillende media verschillende manieren begunstigden om politieke macht te organiseren. Simpel gezegd: hiërogliefen op steen betekenen absolute heerschappij, de komst van het lichte en vervoerbare papyrus als medium betekende de opkomst van de democratie. Voortbordurend op deze theorie schreef McLuhan dat het alfabet en het schrift leidden tot abstract, rationeel en lineair denken, en uiteindelijk tot de Verlichting. En dat de komst van de elektronische media, zoals radio en tv, de mens in een heel nieuwe geestelijke richting en praktische organisatievormen duwde. De mens zou meer associatief en intuïtief gaan denken en voelen, de maatschappij zou één groot flexibel netwerk worden, the global village, even verlicht als romantisch.12 1.10 Waarheid en illusie Welke gevolgen heeft dit associatieve, springerige denken voor een term als ‘de waarheid’? Aangaande de waarheid hebben mensen weinig eisen, stelde de socioloog Den Hollander in 1976 vast in zijn boek Het demasqué in de samenleving, over de journalistiek van the muckrakers (de slijkdelvers) in ‘de Gouden Eeuw’ van de Verenigde Staten, rond 1900.13 Het oude gezegde wil dat de dingen niet zijn wat ze lijken. Maar is dat waar? Veel dingen zijn precies wat ze lijken te zijn. Veel andere dingen zijn open voor interpretatie. En sommige dingen zijn te vervangen door een ‘pseudo-werkelijkheid’. De media kunnen een belangrijke rol spelen bij het creëren van deze pseudo-werkelijkheid. Waarom prefereren we soms illusie boven de realiteit? Vanwege de algemene morele en filosofische onzekerheden in het Westen? Vanwege de overtuiging dat objectiviteit niet bestaat, omdat pure perceptie niet 12 McLuhan (2002). 13 Den Hollander (1976), passim. 38 Politie en media
  • 39. 1. Media en maatschappij bestaat? Het is waar, onze zintuigen bedriegen ons, onze waarnemingen en ervaringen vragen om interpretatie, en interpretaties kunnen veel richtingen uitgaan. Maar omdat de overtuigingen van mensen nogal vaak overeenkomen met hun belangen, hebben we blijkbaar een duidelijk belang in het verkiezen van illusies boven de werkelijkheid. De vraag is waarom. Illusie is een belangrijk sociaal overlevingsmechanisme. Of zoals Paul Virilio opmerkte: “door de visualisering van de wereld worden onze lichamen als het ware bewoond door het universum.”14 En het is geen geringe opgave om het hele universum als interne kostganger te hebben. Daarbij, de naakte waarheid, de totale openheid, een totale vrijheid van meningsuiting en gedrag kunnen leiden tot totale burgeroorlog. Daarom voelen mensen zich meer comfortabel in het accepteren van ‘de werkelijkheid van het onwerkelijke’ dan in het voortdurend opmerken dat er een kloof gaapt tussen beide. “Een werkelijkheid waaraan niet veel schijn inherent is, bestaat blijkbaar niet. In louter schijn leven lijkt evenmin mogelijk. Het brede overgangsgebied is ons normale leefmilieu, en de normale mens beweegt er zich in zonder bijzondere mogelijkheden’, aldus Den Hollander.”15 Blijkbaar kunnen we lange tijd leven met een hele hoop illusies. Natuurlijk is het onmogelijk de vraag te beantwoorden hoeveel illusie we moeten toestaan in onze samenleving en hoeveel waarheid we aankunnen voordat de dingen uit de bocht vliegen. Toch is er reden om te geloven dat vandaag de dag de balans doorslaat naar schijn en imago. Geen enkele werkelijkheid in de moderne samenlevingen is gemakkelijk te doorzien, maar dankzij de gestage groei van de complexiteit en interdependentie wordt dit probleem wel voortdurend groter. Het probleem is dat weinig mensen dit als een probleem zien. In een wereld waar, dankzij technologische communicatiemiddelen zoals de media, ogenschijnlijk alles gezien kan worden, en waar, dankzij onze democratie, alles besproken kan worden, is er het algemene gevoel dat we alle dingen weten die kenbaar of wetenswaardig zijn. De ineenstorting van het communisme in Europa heeft laten zien dat informatie en vrijheid van meningsuiting essentieel zijn voor een goed 14 Vgl. Virilio (1994). 15 Ibidem, p. 187-189. Politiewetenschap nr. 21 39
  • 40. deel I Maatschappij, media en politie functionerende samenleving. Democratie is niet goed mogelijk zonder een fundament van communicatie en zonder een maximum aan informatie. Hetzelfde kan gesteld worden voor een verantwoorde politiezorg in een democratische rechtsstaat. Toch is het omgekeerde ook waar. Zoals de Finse communicatiewetenschapper Osmo A. Wiio in 1985 zei: “Er is geen enkele reden om te geloven dat de menselijke natuur door de informatietechnologie ook maar een jota zal veranderen. Wie ook het idee lanceerde dat communicatie altijd goed is, moet blind en doof zijn geweest. De meeste oorlogen beginnen met een communicatieoorlog en veel conflicten hadden vermeden kunnen worden als er helemaal geen communicatie had plaatsgehad.”16 De vraag is inderdaad of het langs de A10 of op de Coolsingel zo uit de hand was gelopen als er geen internet of gsm was geweest. Of de term informatiemaatschappij, daterend uit 1972, de juiste term is voor onze samenleving, mag worden betwijfeld. Communicatiemaatschappij zou een beter woord zijn. Want het sleutelwoord in de economische ontwikkeling is niet informatie maar automatisering. En het sleutelwoord in de media is niet informatie maar entertainment. Dat de hoeveelheid informatie elk jaar verdubbelt – die roemruchte information overload – is een probleem. Maar het probleem van de kwaliteit en het effect van al die informatie is nog groter. De technologische en digitale revolutie van de afgelopen vijftien jaar heeft snelheid en directheid tot de belangrijkste kwaliteiten van het nieuws gemaakt. In de jaren zestig en zeventig bestond bij velen de angst dat de televisie vooral een instrument zou zijn van de machthebbers, een instrument voor directe manipulatie. Dit standpunt was begin jaren negentig niet erg populair meer. De proliferatie van massacommunicatiemedia en de osmose tussen allerhande soorten communicatieactiviteiten zorgden voor grote onzekerheid. Weinigen durfden nog stevige meningen over de directe politieke invloed van televisie te geven. Een mooi voorbeeld hiervan is de conclusie die de Amerikaanse politicoloog George H. Quester in 1990 trok in zijn boek The International Politics of Television: misschien is het effect van televisie zo ‘diepgaand’ als de hoelahoep; misschien zal het effect op de culturele patronen zo ingrijpend zijn als de atoombom.17 16 Beunders (1992), p. 2. 17 Ibidem, ook overige info over o.a. de Golfoorlog is op deze uitgave gebaseerd. 40 Politie en media
  • 41. 1. Media en maatschappij Dit verlammende ‘het kan vriezen, het kan dooien’-gevoel is de afgelopen jaren verminderd. De angst groeide dat de commercialisering, de versnelling en verharding van het nieuws, en de onbekwaamheid van sommige journalisten om de complexe wereld enige duiding te geven, belangrijker redenen zijn voor misinterpretatie dan dat ‘informatieteveel’. Het besef nam ook toe dat er een groeiende kloof ontstond tussen de technologie en de inhoud van de informatie, terwijl de technologische ‘vooruitgang’ het steeds gemakkelijker maakte om informatie te manipuleren. De eerste Golfoorlog, begin 1991, bewees deze voorspelling. Zelden was een conflict zo intensief gecovered door de media, en toch voelden veel burgers zich slecht geïnformeerd. Een nog grotere verrassing dan de snelle militaire overwinning was evenwel de opmerkelijke controle over de aarzelende Amerikaanse publieke opinie. Bush Sr. en de militairen hadden zo’n grote controle over de informatie, dat ze konden vertellen wat ze wilden, aldus New York Times-columnist Tom Wicker. De grootste verrassing was daarom het feit dat het Amerikaanse publiek helemaal geen behoefte had aan kritische informatie die het verzet tegen de oorlog kon voeden, zoals ten tijde van Vietnam. Men wílde geloven in deze clean war, en de georkestreerde tv-beelden maakten dit geloof erg gemakkelijk. De eerste en ook de tweede Golfoorlog, in 2003, hebben laten zien dat het niet alleen gaat om het vermogen om tv-beelden goeddeels naar believen te kiezen en te monteren, zonder of met de nodige journalistieke legitimatie in de vorm van embedded journalism. Het gaat altijd ook om de vooraf bestaande emoties bij het zien van beelden van de werkelijkheid. En die emoties worden deels gevormd door andere mediabeelden, maar nog steeds ook door de eigen ervaring en het van horen zeggen, ‘de geleende ervaring’. 1.11 Perceptie, resultaten en emotie Dat we zo sterk gefascineerd zijn door de tv-beelden van de werkelijkheid, en vooral ook van de mensen die bij die getoonde werkelijkheid betrokken zijn, heeft niet alleen te maken met het aloude gezegde ‘zien is geloven’. Het is ook het gevolg van de steeds onzichtbaarder wordende processen in de economie en in het bestuur. Hoeveel we ook door het land rijden, we zien voornamelijk abstracte buitenkanten van de schuren Politiewetenschap nr. 21 41
  • 42. deel I Maatschappij, media en politie met binnen de onzichtbare bio-industrie. Van de kantoren met spiegelglas zien we vooral onszelf. En ook als we die kantoren metterdaad binnentreden, zien we identieke maar ondoorgrondelijke computers. Het enige dat we nog echt zien, zijn dus mensen, of beelden van die mensen op tv. Als men wil kan men tamelijk pessimistisch zijn over het tv-tijdperk, waar de smaak voor fictie het over lijkt te hebben genomen van de wil om te weten, waar alleen het zichtbare informatie is en waar dingen die niet zichtbaar zijn niet bestaan – no picture, no show, geen beeld, geen werkelijkheid – en waar tv-zappers alleen nog zien wat ze willen zien. Toch telt meer dan de perceptie alleen. Niccoló Machiavelli gaf deze analyse in De Vorst: “De mensen oordelen over het algemeen met hun ogen, meer dan met hun handen; omdat iedereen in staat is om te zien, en weinigen in staat zijn dicht bij je in de buurt te komen. Iedereen ziet wat jij lijkt te zijn, weinigen ervaren hoe jij werkelijk bent. En die weinigen durven de velen niet tegen te spreken omdat die gesteund worden door de macht van de staat. Als het gaat om de acties van alle mensen, in het bijzonder van vorsten, tegen wie geen hof van beroep bestaat, oordeelt men overeenkomstig het resultaat. Laat de vorst daarom beginnen aan zijn taak om zijn staat te veroveren en te onderhouden. Zijn methode zal altijd honorabel worden gevonden en universeel worden geprezen. Het gewone volk is altijd onder de indruk van schijn en resultaten.”18 Diegenen die menen dat het in ons mediatijdperk alleen nog maar gaat om beeld, imago en spin, vinden in Machiavelli maar een beperkte bondgenoot. Immers, zijn beklemtoning van het woord ‘resultaten’ moet hen toch weer met beide benen op de grond zetten. De golfbeweging tussen illusie en harde werkelijkheid als noodzakelijke plek om te zijn, hebben we de afgelopen jaren op hardhandige wijze kunnen waarnemen. Om te beginnen op 11 september 2001, en vervolgens op 6 mei 2002 en 2 november 2004 hier te lande. De eerste aanslag maakte een golf van emoties los die minstens twee jaar lang het draagvlak creëerde voor de serie oorlogen tegen het terrorisme die president George W. Bush voerde, tegen Afghanistan en Irak. De tweede aanslag was het dieptepunt van een golf van emoties die de persoon van de nieuwe politicus Pim Fortuyn losmaakte. Deze aanslag werd voorafgegaan door een opstand tegen ‘de politiek’ en tegen de door 18 Machiavelli (1975), p.101. Zie ook Beunders (1992), p. 3. 42 Politie en media
  • 43. 1. Media en maatschappij de media geleverde beelden van en commentaren op de werkelijkheid. Dat Fortuyn zelf ook in sterke mate een mediafenomeen was, staat vast, maar ‘de werkelijkheid’ die hij verkondigde werd door velen als een bevrijding ervaren na een lange periode van gepercipieerde fictiewerkelijkheid. Zíjn werkelijkheid was voor velen dé werkelijkheid. Inmiddels heeft zich – mede door de media – weer een nieuwe werkelijkheid gevormd. De media zullen blijven bijdragen aan de constructie van steeds weer nieuwe werkelijkheden. Maar de boodschap van deze paragraaf is dat er wel degelijk een relatie moet zijn met de harde, fysieke werkelijkheid. De afstand tussen de ‘echte’ werkelijkheid en de geconstrueerde werkelijkheid bestaat, maar kan niet te groot worden. Voor zowel politie als media vormt dit een belangrijke boodschap. 1.12 De ‘incidenten- en heisamaatschappij’ Een te langdurig verblijf in het rijk der illusies lijkt een confrontatie met de harde werkelijkheid bijna uit te lokken. Dan treedt er een grotere of kleinere crisis op waarbij alle energie en aandacht ineens is gericht op de gebeurtenis out there in de werkelijkheid, die een antwoord is op al onze gevoelens van te grote rust of te groot geworden onvrede. De Elfde September, de Zesde Mei en de Tweede November waren aanslagen van moordenaars. En daarbij is er nauwelijks verwarring over de vraag waarom. Er was haat, er was een aanslag. Veel vaker komt het voor dat er sprake is van kleine of grote schandalen, aanvallen van paniek of zelfs collectieve hysterie, gevallen waarvan de meeste betrokkenen en het publiek achteraf eigenlijk niet goed weten waarom die plotseling uitbraken. Aanvankelijk komt men vaak niet verder dan de vaststelling dat de sfeer omsloeg en dat de frustratie als een donderwolk in de lucht hing.19 Zo zei burgemeester Cohen een maand na het schandaal begin 2004 rond wethouder Rob Oudkerk: “Het was een soort turmoil, een orkaan die over de stad is getrokken.”20 Schandalen en incidenten zijn minirevoluties van het publieke gemoed. Ze kunnen grote schade aanrichten aan het imago van de aange- 19 Vgl. Cohen (1973), Goode en Ben-Yehuda (1994), en Thompson (1998). 20 De Volkskrant, 3 februari 2004. Politiewetenschap nr. 21 43
  • 44. deel I Maatschappij, media en politie vallen betrokkenen, tot hun aftreden leiden, zelfs het bestaan van hele organisaties op het spel zetten, en ook blijvend wetten en gedrag doen veranderen. Maar hoe lang de incubatietijd was en welke elementen hierin belangrijk waren en wat precies leidde tot de bijna virologisch te noemen ‘uitbraak’ van emoties in de publieke opinie, daarover tast menigeen ook lang na afloop nog altijd in het duister. Jacob Burckhardt, de negentiende-eeuwse cultuurhistoricus, wist na vergelijking van een paar millennia aan opstanden de revolutionaire momenten die er het begin van waren, niet beter dan aldus te karakteriseren: “Alleen als het uur is aangebroken, en de ware stof voorhanden, dan gaat de ontsteking met elektrische snelheid over honderden van mijlen en over bevolkingsgroepen van de meest uiteenlopende soort, die elkaar anders nauwelijks kennen. De boodschap gaat door de lucht, en over dat ene waarop het aankomt, daarover begrijpen ze elkaar plotseling allemaal, ook als het niet meer is dan een vaag: het moet anders worden!’21 1.13 Beeldcultuur of niet? Leven we nu in een ‘beeldcultuur’ of niet? En neemt het aantal gevallen van uitbraak van het virus van de opwinding en de verontwaardiging de afgelopen jaren zo sterk toe dat er in het algemeen reden is voor grote zorg over ‘de publieke zaak’? Indien dit laatste juist is, is het voor publieke figuren en ‘logo’s’ – bestuurders, politici, autoriteiten, bedrijven en instellingen, maar dus ook voor de politie – dan een rechtvaardiging voor een zo strak mogelijk geleide public relations-politiek die ‘het juiste beeld’ naar buiten draagt? En voor het instellen van een ‘snelle interventiemacht’ om verkeerde beeldvorming tijdig bij te draaien? Het idee dat we in een ‘beeldcultuur’ leven, is in korte tijd enorm populair geworden. Ook in de wetenschap is de studie naar ‘visuele cultuur’ populair geworden. Volgens sommige pleitbezorgers wordt de huidige, gefragmenteerde en postmoderne wereld “het best visueel verbeeld en begrepen, net zoals de negentiende eeuw op klassieke wijze vertegenwoordigd werd door de krant en de roman.” Socioloog en journalist W. Oosterbaan heeft hier terecht kritische kanttekeningen bij 21 Burckhardt (1941), p. 350; vertaling citaat Henri Beunders. 44 Politie en media
  • 45. 1. Media en maatschappij geplaatst.22 Goed, er zijn door de digitale productie en de elektronische verspreidingsmiddelen inderdaad veel meer beelden beschikbaar. Maar is er ook sprake van verdringing van het woord – gesproken of geschreven – en van de eigen ervaring zelf? Dat valt nog maar te bezien, zeker in het kader van ons onderzoek. Natuurlijk, pictogrammen, gps-systemen in de auto, grafieken en infographics in de krant en op tv zijn niet meer weg te denken, en zonder visualisering van onzichtbare en ingewikkelde zaken zoals DNA, longen, motorblok en wegenkaart zouden we een stuk minder begrijpen en zouden we een stuk minder snel op de plaats van bestemming zijn. En zeker lijkt ook dat deze visualisering in kranten, in handleidingen en in het onderwijs ten koste gaat van het aantal woorden dat gebruikt wordt. In Ikea-handleidingen komt er zelfs geen enkel woord meer aan te pas: iedereen over de hele wereld moet deze kunnen begrijpen. Maar of er echt van verdringen van het woord door het beeld sprake is, moet ernstig worden betwijfeld. Men kan, zoals Oosterbaan, terecht verwijzen naar de visuele aanslag op ons zenuwstelsel, de live uitgezonden beelden van de brandende en instortende Twin Towers. Maar die beelden vielen in aantal in het niet bij alle woorden die erna nodig waren voor de bespreking van oorzaken, de achtergronden, de verdenkingen, de voorspellingen en de ooggetuigenverslagen. In die dagen werden overal ter wereld meer kranten verkocht. Ook op internet speelt tekst misschien nog wel de hoofdrol. Niet alleen de structuur is gebaseerd op verbanden die via tekst – hypertext – zijn aangelegd, ook bij het zoeken op internet ligt de nadruk bij serieus gebruik nog altijd op tekst. Dat internet hét medium voor porno, gossip en geruchten is geworden, en ook voor het versturen van cartoons, foto- en animatiegrappen, staat hier los van. Dat sluit aan bij de eerder vermelde mobilisatiecapaciteit van de nieuwe media. De meest verkochte boeken zijn nog altijd studieboeken en handleidingen. Radio is een geheel auditief medium, en televisie voor een goed deel eveneens, of het nu een soap, het journaal of een talkshow is, zonder gesproken woord hebben al deze beelden weinig betekenis. Dit neemt niet weg dat we inderdaad steeds meer denken in termen van beelden en fictie. Susan Sontag heeft in haar recente boek Kijken naar de 22 Oosterbaan (2003), p. 10-23. Politiewetenschap nr. 21 45
  • 46. deel I Maatschappij, media en politie pijn van anderen over de Twin Towers opgemerkt dat het haar zo opviel hoeveel overlevenden en ooggetuigen zeiden dat het ‘net film’ was.23 Maar ook tegenover deze observatie kan men een andere zetten: iedereen die een verkeersongeluk, beroving of geweldsincident op straat ziet, kan getuigen dat deze werkelijkheid juist zo weinig filmisch is, maar zo chaotisch, traag en banaal. Hoe waar het ook is dat we steeds meer beelden aangeleverd krijgen, en hoe waar het daarom ook is dat de echte werkelijkheid steeds meer het onderspit delft ten opzichte van de mediawerkelijkheid, het volgende is ook waar. Bijna alle schandalen, incidenten en hypes van de afgelopen vijftien jaar, begonnen met een gerucht en daarna met een stuk in de krant. Of het nu over kindermisbruik en incest eind jaren tachtig, begin jaren negentig ging, over aansluitend seksueel misbruik, of zinloos geweld, of over de recente schandalen rond Margarita, Mabel Wisse Smit of Rob Oudkerk, het begon allemaal met een stuk in de krant. Pas als de audiovisuele media, radio en tv, en de andere kranten ‘het schandaal’ oppikken, treedt de opwaartse spiraalwerking op die in een mediaorkaan kan eindigen. Men kan de toename van het aantal mediaschandalen of mediahypes toeschrijven aan een af te keuren ontwikkeling in de moderne media naar commercie en sensatiezucht.24 Maar om hier vaste patronen en zelfs een systeem in te ontwaren, een Medialogica, zoals het gelijknamige bezorgde rapport luidt, of zoals Peter Vasterman concludeert in zijn proefschrift Mediahype, gaat toch te ver.25 Hoe mooi, gedegen en nuttig dit soort studies ook zijn, we moeten altijd oog blijven houden voor de mix van media die noodzakelijk is voor ‘beeldvorming’ en voor de mix van meestal tamelijk onzichtbare maar daarom niet minder emotionele omgevingsfactoren. Het patroon van de spiraal is te bestuderen en te hanteren bij crisiscommunicatie. Het aanvoelen of die beroemde lont in het kruitvat wel of niet zal ontsteken als gevolg van een bepaalde gebeurtenis of bepaald bericht, is veel moeilijker. Daarvoor is het in huis hebben van communicatie-experts niet voldoende. Nee, daarvoor is het in huis hebben van één of twee kenners van ‘de tijdgeest’ en van de specifieke omstandigheden in de politiek én de media een hoogst noodzakelijke voorwaarde geworden. 23 Sontag (2003), passim. 24 Vg. Elchardus (2002). 25 Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (2003); Vasterman (2004). 46 Politie en media
  • 47. 1. Media en maatschappij 1.14 Betekenis voor relatie politie en media Op basis van deze eerste beschouwing over de rol van de media in de maatschappij kunnen al enkele opmerkingen gemaakt worden die voor de relatie tussen politie en media van belang zijn. De media zijn méér dan een instrument om informatie door te geven aan de burgers, zij vormen een wezenlijk onderdeel van de democratie en het ‘sturen’ van de werkelijkheid. De media kunnen daarom door de politie ook niet langer louter instrumenteel bekeken worden. De eigen waarde van de media is voor een adequate politiezorg – niet alleen de beelden maar vooral ook de definiëring van het probleem – daarover van wezenlijk belang. De bijdrage die de media leveren aan het construeren van de werkelijkheid, is voor de politie cruciaal. Dat betekent dat als bijvoorbeeld gesproken wordt over subjectieve onveiligheidsgevoelens, de wijze waarop in de media de werkelijkheid rond veiligheid wordt gecreëerd, relevant is.26 Maar dwingender is de boodschap dat er een relatie moet zijn tussen de boodschap en de harde fysieke werkelijkheid. Public relations en voorlichting vanuit de politie zijn nodig en noodzakelijk, maar indien zich een te grote discrepantie voordoet tussen boodschap en werkelijkheid, liggen incidenten en problemen op de loer. De waarheid wordt geconstrueerd, maar een zekere relatie met een objectieve waarheid zal moeten blijven bestaan. Beelden worden vormgegeven door een mix van communicatiemiddelen. Televisie alleen is onvoldoende. Kranten en in toenemende mate internet spelen een belangrijke rol in het uitdragen en specificeren van een beeld. Voor de politie zal dat betekenen dat steeds weer de vraag zal moeten worden gesteld welke ideale mix van communicatiemiddelen noodzakelijk is om een beeld te creëren. De nieuwe media spelen daar een geheel eigen rol in. Niet alleen voor de politie vanuit het perspectief van voorlichting, maar vooral ook voor de critici of regelrechte tegenstanders van de politie. Ook zij maken gebruik van traditionele en moderne middelen om uiting te geven aan hun wensen en eisen en ook hun versie te geven van de wijze waarop de politie met hen om gaat. Beelden gaan primair over emotie. Het politiewerk heeft veel emotie in zich. Het gaat bij het functioneren van de politie veelal om werk dat 26 Schlesinger (1994), Kidd-Hewitt en Osborne (1995), Howitt (1998), en Mason (2003). Politiewetenschap nr. 21 47
  • 48. deel I Maatschappij, media en politie diep ingrijpt in mensenlevens. Het is voor velen ook zeer herkenbaar. Dat maakt het politiewerk voor de media bijzonder aantrekkelijk. Beelden en emotie zijn nagenoeg steeds aan elkaar gekoppeld. Daar hoeven door de media geen bijzondere zaken voor te worden geregeld. De politie is zich echter niet steeds bewust van deze emotie en de waarde van de beelden. Mede hierom zullen in het volgende hoofdstuk de ontwikkelingen van de politie als organisatie beschreven worden. Maar ook de steeds urgentere vraag naar de relatie tussen incidenten en terroristische aanslagen, de mediaberichtgeving erover, en de mogelijke reacties van de overheden en de politie hierop. 48 Politie en media
  • 49. Politie en maatschappij 2.1 2 Inleiding Na de introductie over de rol van de media in de maatschappij in het vorige hoofdstuk is het noodzakelijk de belangrijkste elementen van de rol van de politie in de maatschappij te verkennen. In dit hoofdstuk verkennen wij op hoofdpunten de rol van het instituut politie. Vanwege het bijzondere karakter gaan wij vervolgens in op de complexe wisselwerking tussen politie, media en terrorisme. De politie moet heden ten dage worden beschouwd als één van de vele instituties die net als onderwijs en gezondheidszorg een cruciale functie in de moderne maatschappij vervullen.1 Al deze instituties maken turbulente tijden door. De vanzelfsprekendheid waarmee deze instituties hun traditionele functies uitoefenen, behoort tot het verleden. De politie vormt hierop geen uitzondering.2 Weliswaar is de taak van de politie in de Politiewet van 1993 niet gewijzigd ten opzichte van 1957 (handhaven van de rechtsorde en hulp verlenen aan hen die deze behoeven), maar de tijden en opvattingen daarbinnen zijn dat wel degelijk.3 De bewegingen in de Nederlandse samenleving die invloed hadden op de uitoefening van de politietaak, kunnen kortweg als volgt worden samengevat: • de jaren ’50: dit kan en dat kan niet; • de jaren ’60: moét kunnen; • de jaren ’70: álles kan; • de jaren ’80: kan dat eigenlijk allemaal wel? • de jaren ’90: zo kán het niet langer! Neemt men daarbij de ontwikkeling van ‘de mens in zijn tijd’ dan weet de politie zichzelf als gevolg hiervan geconfronteerd met een crisis in vertrouwen, geloofwaardigheid, legitimiteit en richtingbepaling. In die zin staat de politie niet alleen. 1 Zie meer uitgebreid Fijnaut, Muller en Rosenthal (1999). 2 Van der Vijver, Meershoek en Slobbe (2001). 3 Zie ook Mein, Schutte en Van Sluis (2004). Politiewetenschap nr. 21 49
  • 50. deel I Maatschappij, media en politie De sfeer in de samenleving is momenteel zo dat een aantal normschendingen en de wijze waarop er vooral níet tegen wordt opgetreden, als ‘zo kán het niet langer’ wordt ervaren. Er is een roep om handhaving. En men verlangt ook feitelijk optreden. Maar de politie en de aandacht ervoor in de media zijn hot, en dat maakt dat niet op basis van één oplossingsrichting of optreden te werk kan worden gegaan. De politie weet dat ze moet zoeken naar een vorm van taakuitvoering die recht doet aan het feit dat haar activiteiten veel meer dan vroeger ter discussie kunnen staan en dat de verbanden waarbinnen zij moet opereren, ook ruimer liggen. Fout is, als het in een groter verband wordt geplaatst, niet altijd fout meer. Oplossingen laten zich dus door de wens van de individuele burger niet meer vatten in een klassieke fout-is-foutbenadering. De individuele mens die zich geconfronteerd weet met een veiligheidsvraagstuk, wil zicht hebben op de oplossing. Hij wil het gevoel hebben dat zijn belang ook daadwerkelijk aan bod komt. En dat is voor de politie geen eenvoudige opgave. Net als van de overheid zelf, wordt ook van de politie maatwerk vereist. Er is meer dan repressie alleen. De kenmerken van de huidige tijd komen niet uit de lucht vallen. Dat heeft natuurlijk te maken met de ontwikkelingen in de samenleving, maar zeker ook bij de politie zelf. Tot het rapport van de Projectgroep Organisatiestructuren, Politie in Verandering, kenmerkte de politie zich door een taakgerichte technocratische organisatie als verlengstuk van de overheid. Het rapport uit 1977 heeft (althans binnen de politie zelf) een fundamentele breuk in het traditionele denken en doen veroorzaakt. Gelet op het belang van die rapportage wordt hieraan in dit hoofdstuk nadrukkelijk aandacht besteed. 2.2 Politie in verandering In de eerste tientallen jaren na de Tweede Wereldoorlog kon de politie in Nederland volstaan met haar klassieke taakuitoefening: het plichtmatig afdwingen van conformiteit. Om deze reden behoefde zij als organisatie geen organisatorische of functioneel inhoudelijke wijziging te ondergaan. Maar na de jaren zestig, waarin de maatschappij met een snelle opeenvolging van structurele en culturele doorbraken werd geconfronteerd, moest de politie zich aanpassen. In het rapport Politie in Verandering wordt een nieuwe inhoudelijke visie op 50 Politie en media
  • 51. 2. Politie en maatschappij politiezorg ontvouwd.4 De projectgroep onderzocht de bijdrage die de politie aan de samenleving levert en zou moeten leveren: ‘Wat is de functie van de politie en op welke wijze dient die functie te worden vervuld’. In het rapport geeft de historische analyse van het functioneren van de politie een beschrijving van twee periodes: die van vóór 1966, waarin de denk- en werkwijze binnen de politie wordt aangeduid als de traditionele benadering, en die van na 1966, de zogenoemde technocratische benadering. In de traditionele benadering stond niet de functie van de politie in de samenleving centraal, maar de functie ten behoeve van de overheid. Gezagsuitoefening werd gerechtvaardigd geacht op grond van wettelijke regels, die gezien werden als de hoogste norm voor het handelen van de overheid en dus ook van de politie. Het formele doel van de politie was wetshandhaving met daaraan gerelateerde activiteiten in het kader van de ordehandhaving. De meer sociaal gerichte hulpverlening werd aan de handhaving ondergeschikt geacht en bleef zoveel mogelijk beperkt. De wijze waarop de politietaak werd uitgevoerd, was afstandelijk, reactief en afwachtend. Preventie beperkte zich tot de feitelijke aanwezigheid van de politie. Wettelijke regels geven op zichzelf al een te algemeen, simplistisch beeld van de maatschappij en de absolute, ongenuanceerde toepassing ervan in het tijdvak van voor 1966 liet ook al geen ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen. Het functioneren van de politie vertoonde een schrijnend gebrek aan flexibiliteit. De functie van de politie in de traditionele benadering was niet meer dan handhaving van de maatschappelijke status quo. Gebrek aan flexibiliteit werd daarnaast veroorzaakt door de bureaucratische organisatievorm van de politie. De organisatie was sterk gecentraliseerd en hiërarchisch opgebouwd en de beslissingsvrijheid van de medewerkers aan de voet van de organisatie was nihil. Dit alles had tot gevolg dat het beleid vaak gebaseerd was op onvolledige informatie en mede daardoor op een onjuiste voorstelling van de werkelijkheid. De politieorganisatie kon lange tijd onveranderd blijven, omdat er zich in de samenleving geen diepgaande veranderingen voordeden. In het midden van de jaren zestig ontstaat er echter een periode waarin de maatschappij in snelle opeenvolging met structurele en culturele doorbraken wordt geconfronteerd. Zo verandert voor de overheid, en dus ook voor de politie, de samenleving in betrekkelijk korte tijd in een omgeving waarin instabiliteit en heterogeniteit op alle fronten onzekerheid scheppen. 4 Zie Cachet et al. (1998). Politiewetenschap nr. 21 51
  • 52. deel I Maatschappij, media en politie De politie had, evenals bestuur en justitie, onvoldoende geanticipeerd op de maatschappelijke veranderingen en reageerde op de ontwikkelingen met een overvloedig gebruik van sancties om het respect voor orde en wet te handhaven. De politie zag al snel in dat het toepassen van geweld op grote schaal een erkenning van een nederlaag zou betekenen en slechts het gebrek aan grip op de samenleving zou tonen. Zij veranderde haar koers, waarbij zij zich echter uitsluitend richtte op het verbeteren van (technische) middelen en methoden. Dit wordt door de projectgroep aangeduid als het tijdperk van de ‘middelenemancipatie’: de middelen werden tot doel verheven. In deze zogenaamde technocratische benadering bleef een fundamentele herbezinning op de functie van de politie uit. De politie concentreerde zich op dat taakgebied waar de frictie tussen politie en samenleving het duidelijkst tot uiting kwam: de handhaving van de openbare orde. Evenals in de traditionele benadering bepaalden wetshandhaving en ordehandhaving de bijdrage die de politie de samenleving te bieden heeft. Wel vond er een verschuiving plaats van wetshandhaving naar ordehandhaving. Wetshandhaving werd ten opzichte van ordehandhaving steeds meer een middel. Ten aanzien van het verzekeren van veiligheid, orde en rust werd er steeds meer geanticipeerd op gebeurtenissen in de samenleving. Sociale problemen kregen meer aandacht, maar werden hoofdzakelijk beoordeeld vanuit het openbare orde-idee. De hulpverlenende taak van de politie werd gezien als welzijnsbevordering, waartoe wetshandhaving en ordehandhaving de middelen waren. Hulpverlening vond plaats in een onpersoonlijke en afstandelijke sfeer, vanuit een technisch-instrumentele opvatting en niet als door interactie bepaald sociaal handelen. Omdat hierdoor het sociale element van de hulpverlening onvoldoende tot zijn recht kwam, werden in sommige politieorganisaties gedecentraliseerde basiseenheden speciaal belast met de sociale welzijnstaak. Ook preventie manifesteerde zich in het hanteren van technische middelen. Wat betreft de structuur werd voortgebouwd op de traditionele bureaucratische structuur. Er vond een steeds verder gaande differentiatie van taken plaats, wat tot gevolg had dat het aantal hiërarchische niveaus in de organisatie toenam. Het proces van beleidsvorming werd eveneens door middelen en methoden bepaald. De doelen werden aan de middelen aangepast. De mogelijkheden die de middelen boden, bepaalden de ter beschikking staande informatie en daarmee de kijk op de werkelijkheid. Medewerkers konden nu weliswaar deelnemen aan het beleidsvormings52 Politie en media
  • 53. 2. Politie en maatschappij proces door medezeggenschapsorganen, dienstcommissies etc., maar beslissingen bleven voorbehouden aan een gecentraliseerde top die veelal ver afstond van de concrete problematiek in de praktijk. En hoewel de speciaal met de sociale welzijnstaak belaste basiseenheden over veel informatie over de samenleving beschikten, bereikte deze informatie door de structuur van de organisatie de top niet of nauwelijks. Het was dan ook niet de top, maar de ‘werkvloer’ die het scherpst aanvoelde hoe de politie in een sociaal isolement ten opzichte van de omgeving geraakte. De maatschappelijke functie van de politie, de bijdrage die de politie aan de maatschappelijke omgeving levert, moest volgens de projectgroep in 1977 worden gezien in het licht van de rol van de overheid. De opvatting van de projectgroep van de functie van de politie luidde: “De functie van de politie houdt in het leveren van een mede in het bestuurlijke en justitiële functioneren geïntegreerde bijdrage ten behoeve van de samenleving, in de vorm van sociale beheersing, die niet slechts bijdraagt tot bescherming van de maatschappelijke verworvenheden, doch evenzeer de condities schept voor maatschappelijke ontwikkeling en vernieuwing, gericht op de verwerkelijking van de essentiële waarden in onze democratie.”5 Met deze opvatting werd de politiefunctie dus verbreed: behalve de klassieke handhavende taken kreeg de politie een initiërende en begeleidende rol bij sociale ontwikkeling en vernieuwing. De projectgroep sloot met deze opvatting aan bij de sociale en culturele veranderingen die zich in de jaren voor 1977 in de maatschappij hadden aangediend. Veranderingen die er onder andere toe leidden dat de gezagsuitoefening door de politie veel kritischer werd gevolgd en gezagsverhoudingen instabieler werden. Dit alles had tot gevolg dat de plaats van de politie in de samenleving diende te veranderen: de afstand tot de bevolking moest worden verkleind door wederzijds kennen en gekend worden, de (gezags-)verhoudingen dienden een persoonlijker karakter te krijgen. Functie-uitoefening door de politie, zo stelde de projectgroep, dient gebaseerd te worden op duurzame relaties met de bevolking, waardoor een maatschappelijk geïntegreerde politie ontstaat. Er dient dus herkenbaarheid te zijn voor de burgers, maar de integratie dient niet zodanig te zijn dat de politie niet meer in staat is in te grijpen indien nodig. Integratie heeft een prijs, er dient altijd een zekere mate van afstand te zijn. 5 Projectgroep Organisatiestructuren (1977), passim. Politiewetenschap nr. 21 53

Related Documents